COLUMNS DAGBLAD METRO E.A.

Dagblad Metro, Thrillerlezers, theSword


Dagblad Metro, 25 juni 2015

 

Thé Lau, het spijt ons

…dat wij pas sinds die rotziekte jou bij de lurven greep, de schoonheid van jouw liedjes zien. Jarenlang zongen we het wel mee op festivals, wolken aan bierspetters omringden ons, maar wat we bralden wisten we eigenlijk niet. Dachten we ook niet over na, het waren gewoon heerlijke meezingers. Nu analyseren we jouw teksten. Geniaal zijn ze! Ik zou graag anders willen, ik schaam me diep, maar ook mij raakte je pas na het bericht dat jij… In het Antoni van Leeuwenhoek passeerden we elkaar, zonder een woord. Geen groet. Niks. Waarom zou ik ook, in dit ziekenhuis doen status en afkomst er niet toe, dacht ik toen. Kanker heeft geen voorkeur, waarom zou ik het wel hebben? In de auto werd mijn ademhaling onregelmatig, ik had je op z’n minst een schouderklop kunnen geven. Hoofdschuddend trok ik jouw cd onder uit het dashboardkastje vandaan. Nooit bralde ik zo hard mee met jouw rauwe stem. In ieder geval niet nuchter. Dikke tranen over mijn wangen. Overslaande stem. Ik was één met jou, ik was met jou, ik voelde me kut voor jou. Alsof ik een vriend ging verliezen. Terwijl mijn lippen naar snot proefden, ontdekte ik hoe weergaloos goed jouw teksten zijn.

   Zo hebben we allemaal onze eigen reden waarom wij ons nu wel in jouw werk verdiepen. Het spijt ons zo dat wij dat niet eerder hebben gedaan. Geen flauw idee waarom. Misschien waren wij er nog niet aan toe, moesten we nog aan je wennen, begrepen we jou gewoon nog niet. Zoals Van Gogh en Mozart pas jaren later begrepen werden.

   Goh man, ook al is het laat, ik ben zo blij dat we massaal de schoonheid in jouw werk zien – en dat jij onze waardering toch nog hebt meegemaakt. Je verdient het dik.

   Maar eh, sorry Thé, ineens voel ik me toch weer verward. Ik gun jou graag alle eer, dat is het niet. Ik gun jou werkelijk dolgraag de status van genialiteit. Van mij had jij desnoods over water mogen lopen. Serieus. Maar ineens twijfel ik of jouw teksten wel echt zo bijzonder zijn om ze gelijk heilig te verklaren. Misschien slaan we door, zijn het gewoon onwijze mooie liedjes om heerlijk dronken bij te worden. Diep in mij hart hoop ik dat, eerlijk gezegd. Los gaan op jouw muziek was zo lekker. Dat raken we nu toch niet kwijt? Nee, hopelijk lallen we straks gewoon weer heerlijk mee als we jouw authentieke stem horen. Nu alleen met een bijzonder gevoel erbij. Ja, we brallen, genieten en in plaats dat we het glas op jouw gezondheid heffen, proosten we op al jouw kunst waar we nog heel lang van zullen genieten.

   Thé, bedankt!

Naar boven.

 


Dagblad Metro, 5 januari 2015

(Uitgeroepen tot lezerscolumnist van de dag)

 

Vandaag het baasje, morgen het haasje

Werkgevers hebben nu de macht, weten ze. Kunnen doen wat ze willen, denken ze. Op sollicitanten hoef je niet te reageren, vinden ze. Werknemers daarentegen die hebben helemaal niks te vinden, ze moeten blij zijn met hun baan. Voor hen tien anderen. Tegenwoordig. Net als leveranciers, uitknijpen die hap, zo werkt de markt nu eenmaal, zeggen ze.

 

Vaker en vaker verbaas ik me over deze instelling waarmee steeds meer werkgevers besmet lijken te raken. Voor nu werkt het inderdaad, dat moet ik onmiddellijk toegeven. En dat je nu de concentratie moet leggen op de korte termijn dat volg ik ook wel. Overleven, daar is het helaas nog steeds om te doen. Tuurlijk. Maar wat is dan het uiteindelijke doel van overleven? Volgens mij dat je daarna kunt bouwen aan een robuuste onderneming, en juist daar heb je kundig en loyaal personeel voor nodig, een samenwerking met leveranciers op win-win gebaseerd. De gunfactor die je nu net in barre tijden verdient of keihard verliest. Grijp je nu alle macht dan kun je er gif op innemen dat je juist alle macht zult verliezen zodra de economie zich weer echt herstelt en het personeelstekort plotseling uit de lucht komt vallen. Dat lijkt nu ver weg, mee eens, maar of het nu morgen is of over drie jaar, het komt en het zal heftiger zijn dan enkele jaren geleden. Simpelweg omdat straks de babyboomers met pensioen zijn.

 

Ik ben ervan overtuigd dat de werkgevers die nu zorgvuldig met de omgeving omgaan, en dit soort is er gelukkig ook nog steeds, het straks in klinkende munt uitbetaald zullen krijgen. Zij die de werknemer nu correct behandelen, overtuigen dat er momenteel een stapje harder gelopen moet worden en het extraatje vooralsnog bestaat uit slechts een schouderklop en een welgemeend dankjewel, die werkgevers hebben niet alleen nu maar ook straks mensen in huis die trots zijn op hun werkomgeving. Deze medewerkers vertrekken straks niet voor een eurootje meer en houden nu niet uit angst de mond dicht met in het achterhoofd: zodra ik de kans heb… De groep werkgevers die zich dit realiseert, weet ook dat als je stagiaires en sollicitanten correct behandelt, zij het straks misschien weer bij je zullen proberen als jij mensen hard nodig hebt. Er kunnen pareltjes tussen zitten, anders hebben ze die wellicht in hun omgeving. Ook afgewezen sollicitanten kunnen mooie ambassadeurs van jouw tent worden.

 

Met werkgevers die anderen nu denken uit te buiten, heb ik straks geen medelijden. Je oogst wat je zaait. Tja, zo werkt de markt nu eenmaal, zeggen we dan.

 

Naar boven.

 


 

Thrillerlezers, januari 2015

 

Meer tijd voor boeken lezen

Op Thrillerlezers’ vraag of ik een kort stukje zou willen schrijven over mijn schrijversplannen voor 2015 en de beste drie thrillers die ik in 2014 heb gelezen reageerde ik direct met: ‘Ja, natuurlijk doe ik dat.’ Tegelijkertijd zeilde het besef binnen dat ik veel te weinig gelezen heb. Nou ja, ontspannen gelezen bedoel ik dan, in plaats van ‘even’ tussen de bedrijven door. Was ik van het voorjaar nog volop bezig om thriller De Worsteling af te ronden, die moest in de zomer de boekhandel in, verloor ik mezelf direct daarna alweer in de creatie van mijn volgende boek. Zielig? Ach nee, totaal niet zelfs, nou ja, voor mijn gezin dan misschien een beetje, maar voor mezelf: schrijven is het mooiste dat er is. Hele dagen ermee vullen is zodoende ver verwijderd van een opgave. Als auteur behoor je trouwens ook alles uit de kast te halen om de lezer te geven wat hij of zij verdient. Waar voor je geld. Zo simpel is het ook nog eens een keer.

   Zoals gezegd, te weinig gelezen, maar waar ik het afgelopen jaar dan wel mijn neus in heb gestoken komt voornamelijk van eigen bodem. Nederland is gezegend met een overvloed aan goede schrijvers, dat wordt hier en daar nog wel eens gemist naar mijn mening. Het idee dat wat je van ver haalt vaak lekkerder is gaat qua boeken niet op. Niet dat ik het daarmee direct omdraai, wat ik slechts wil zeggen is dat we niet onderdoen aan bijvoorbeeld Scandinavië, Verenigd Koninkrijk of Amerika. On-Nederlands goed, zoals nog wel eens in een recensie te lezen is, is dus eigenlijk een kwalificatie waarmee we onszelf tekort doen.

   Goed, punt gemaakt.

   Boeken waar ik erg van heb genoten: In de eerste plaats van De Kraamhulp (Esther Verhoef). Goed uitgedacht, een thriller die met recht een pageturner genoemd mag worden. Begin aan de eerste zin en je hebt geen tijd meer voor boodschappen, eten koken en het bed mag je ook gestolen worden. Echt een goed boek. En als je mij laat definiëren wat een goed boek is zou ik zeggen: Wanneer je het jammer vindt als je de laatste zin gelezen hebt, het graag uitleent maar wel terug wilt hebben omdat je weet dat je het ooit herleest. Blauw water (Simone van der Vlugt) is ook van dat soort. Onlangs herlezen, ik wist nog hoe het ging aflopen maar dan toch weer enkele uren in spanning zitten. Heerlijk, wat een fantastische spanningsboog. Bang aangelegd ben ik niet maar tijdens het lezen van dit boek zag ik de Tbs’er voor me en was geneigd om de achterdeur op slot te draaien. Op de eerste bladzijde heb ik in vette letters mijn naam geschreven, net als ik deed in Versleuteld (Donald Nolet) vlak voordat ik het uitleende. Ook dat boek wil ik absoluut terug. Niet alleen vanwege het steengoede verhaal maar ook als inspiratie hoe je beeldend moet schrijven, hoe je totaal verschillende verhaallijnen ingenieus kunt laten samenkomen, hoe je op moderne wijze de lezer kunt meeslepen in een oeroud geheim – in dit geval uit de Tweede Wereldoorlog.

 

Wordt 2015 een ander jaar en neem ik vaker de tijd om ontspannen te lezen of wordt het slechts een ander jaartal waarin ik ook nu weer alles op alles zet om met mijn nieuwe boek de lezer te vermaken? Ach, ik ga gewoon voor beiden. Met keihard werken aan het volgende manuscript voorop. Wanneer het precies uitkomt weet ik niet, voorlopig laat ik me eerst nog leiden door het verhaal, pas daarna ga ik met mijn uitgever om de tafel voor een deadline. Er veel over vertellen wil ik ook liever nog niet, behalve dat het een spannende roman wordt. Maar wat ik in ieder geval wel graag kwijt wil is mijn allergrootste wens: een geweldig, gezond, vredig en inspirerend Nieuwjaar. Voor jou, voor mij, voor al onze dierbaren.

 

Fijne leesdagen!

 

Naar boven.

 


 

Radio 90FM &

Dagblad Metro, 11 december 2014

(Uitgeroepen tot lezerscolumnist van de dag)

 

Dag televisie, tot volgend jaar!

Nog even, dan begint de Top 2000 weer. Muziek, welke eigenlijk het hele jaar door wordt gedraaid op de radio, krijgt er een dimensie bij. Ik weet niet wat het is. Magie of zo. Televisies krijgen kerstvakantie, favoriete radiozenders klinken niet meer uit de boxen, er is slechts plaats voor Radio 2. Al staat de wereld in brand, wordt Peter R de Vries eindelijk zelf ook moe van al zijn meningen, heeft de FIFA belangrijk nieuws over Blatter, Quatar en echte onderzoeken naar omkopingen. Ja, al laat Geert Wilders in hartje Venlo een Moskee bouwen… Radio 2.

   Even niet denken aan terreurdreiging, de crisis die maar blijft irriteren, Groningen dat een etage zakt. Het boeit niet of het wel of niet winter wordt, of het regent. Nou en? Veel belangrijker is of op Oudjaarsavond November Rain van Guns N’ Roses wel tot en met de laatste noot gedraaid wordt.

 

Heerlijk die afsluitende week. Begint de dag normaal gesproken met koffie en Teletekst, nu wordt de radio aanzetten de eerste actie, meteen daarna de paginagrote lijst bekijken die aan de binnenkant van de kastdeur hangt, pas dan koffie. Tussendoor reken je uit wanneer je ongeveer kunt gaan douchen. Vijf voor acht reclame, dan het nieuws, weer reclame, daarna de Bee Gees gevolgd door Kadeng Kadeng. Ach, ruim een kwartier, heel veel tijd is het niet maar het is absoluut haalbaar.

   Het moet want net na tien over acht draaien ze I Can’t Dance van Genesis.

 

Vroeg naar bed zit er ook niet in, tegen de klok van twaalf komt eerst Golden Years van David Bowie, dan Ruby van de Kaiser Chiefs. Waarom ik er op wacht is eigenlijk belachelijk, ik kan zo de cd’s opzetten. Ooit deed ik dat trouwens, maar toen waren het ineens weer gewoon mooie liedjes. Nee, de magie van de Top 2000 is dat mooie nummers fantastische stukken worden die overal kippenvel bezorgen. Alsof het gisteren was denk je terug aan de eerste zoen, het examenfeest, een jeugdvakantie, dat lekkere stuk in de bar. Maar ook aan begrafenissen. Je voelt weer wat je voelde. Alleen eind december is dat zo sterk. Is het eenmaal weer januari dan zijn alle noteringen weer gewoon mooie of minder mooie platen. De tv mag weer, anders zoeken we op de radio een zender waar we zin in hebben. En in het nieuwe jaar staan we ineens weer open voor de actualiteiten. Is er weer plaats voor kleine en grote irritaties. Maar voor het zover is… men, wat heb ik al veel zin in al die gouwe ouwen!

 

Naar boven.

 

 


 

 

Dagblad Metro, 14 oktober 2014

(Tweede prijs schrijfwedstrijd en

uitgeroepen tot lezerscolumn van de dag) 

 

Een echte vriend veegt je kont af

Onze vriendin lost mij af, ik ga naar beneden en lees op Facebook Maartens bericht: ‘Kanker kun je voorkomen of genezen, door evenwicht van lichaam en geest.’ Volgens zijn schrijven zal een proactieve en positieve geest helpen om winnend uit de strijd te komen. ‘Een liefdevolle, vergevingsgezinde geest ontspant het lichaam, waardoor genieten weer mogelijk wordt. Strijd tegen deze volksvijand wordt er geschiedenis mee.’

   Maarten heeft gelezen dat je kankercellen kunt laten verhongeren door ze het voedsel te onthouden waarmee ze zich vermenigvuldigen. Dus geen vlees, suiker, chocolade, melk en koffie. En nooit water uit de kraan drinken! Daarom drinkt hij voornamelijk groente- en fruitsappen. Dan is hij de ziekte voor.

 

Ik staar naar zijn profielfoto. Bij oncologie tref ik mensen die opgewekter en frisser ogen. Maar daar zal Maarten nooit komen, hij raadt chemotherapie af, chemo is slecht en juist kankerverwekkend. Slechts de farmaceutische industrie is erbij gebaat. Kanker blijft pas blijvend weg door het nuttigen van fruit, rauwe groenten, vruchtensappen, volle granen, zaden en noten. Dan komt het lichaam in een alkalische omgeving. Zeker verse groentesappen zorgen voor levende enzymen. Die bereiken het cellulaire niveau om cellen te voeden en groei van gezonde cellen te verbeteren.

   Oké.

   Ik neem een hap lucht en blaas langzaam uit. In gedachten verspreid ik Maartens betoog in het Antoni van Leeuwenhoek. Wijzig je levenswijze! Ontspan, geef veel liefde en volg het dieet! Je wordt weer beter, jihoe! Daarna neem ik alle patiënten mee naar buiten. Dit ziekenhuis is niet goed voor hen, dit pand wordt in stand gehouden door farmaceutische graaiers. In samenwerking met de voedselindustrie. Boeventuig!

   Ja, vanmiddag neem ik alle patiënten mee naar het strand. Maken we er een leuke dag van en klinken bij zonsondergang de glazen gevuld met sap van biet, wortel en taugé. En we gaan door totdat iedereen genezen is.

 

Op gekerm vanaf boven sprint ik naar de badkamer waar mijn vrouw voorover zit op het toilet. Snuivend drukt ze haar kale hoofd in de onderbuik van onze vriendin die zacht beide schouders en bovenkant rug masseert. Zuchtend schud ik mijn hoofd. Ongelofelijk. Alsof het allemaal haar eigen schuld is. Zodra met een vochtig doekje de billen van mijn vrouw worden afgeveegd weet ik het: echte vrienden laten zich niet denigrerend uit over een vijandige ziekte waarmee je te maken hebt. Nee, echte vrienden veroordelen niet maar zijn onvoorwaardelijk bereid je kont af te vegen.

 

Naar boven.

 

 


 

 

Thrillerlezers, juli 2014

 

Recensies

Ach, wat zeggen recensies, het gaat erom wat de lezer ervan vindt. Dat zou ik vermoedelijk gezegd hebben als de recensies waren tegengevallen. De eeuwenoude maar nog steeds goedwerkende les van mijn moeder: Schelden doet pas pijn als je daar niet boven staat, zou ik direct weer toepassen. Niet fel reageren op de recensent, niet wekenlang het hoofd onder een kussen steken, maar borst vooruit, leer ervan en geniet van de mooie lezersreacties. Een gebeurtenis overkomt je, de wijze hoe je die te lijf gaat kies je, dat is dan weer een levensles die Lornah Kiplagat mij ooit voor de voeten wierp. Je moet proberen om stress te vermijden. Even ervoor had ik de langeafstandsloopster gevraagd wat het verschil was tussen de top en super-top. We stonden in de lobby van een hotel waar zij zich voorbereidde op de NK. Op de schaapachtige blik die ik na het antwoord in haar boorde ontstond een royale glimlach op het afgetrainde gezicht tegenover mij. ‘Echt,’ vervolgde Lornah, ‘probeer gewoon eens om geen stress te krijgen van feiten die je niet kunt veranderen. Ik reis bijvoorbeeld veel en heb veel te maken met vertragingen op het vliegveld. Als er dan omgeroepen wordt dat het vliegtuig 4 uur later komt schieten de meeste passagiers in de stress.’

   ‘Tja, dat gevoel ken ik,’ zei ik. ‘Maar dat zijn toch ook geen berichten om in de feeststemming te geraken?’

   Glinsterende ogen naderden mijn gezicht, ondertussen vouwde zij haar vingers om mijn onderarm. ‘Ik beweer ook niet dat je dan meteen een dansje moet maken, maar met stress komt het vliegtuig toch ook geen minuut eerder? Beter is om het te accepteren en rustig op een stoel te gaan zitten. Ga wat eten, drinken of slapen. Focus je op datgene waar je hart ligt. Neem onvermijdelijke situaties voor lief en je prestaties gaan vooruit.’

   Whow, dacht ik, dit is simpel maar wel waar. Daarbij geldt het voor bijna alles in het leven. Ook voor het werk eigenlijk. Iedereen kent wel een situatie van extreme drukte, stapel werk die bijna knel zit tussen bureau en plafond. ’s Nachts bedenk je tijdens het woelen hoe je die stapel ‘morgen’ lager gaat krijgen. De volgende dag begin je vermoeid aan de achterstand. Met de hele nacht liggen prakkiseren is je stapel geen papiertje lager geworden. Als je dit uit je hoofd had kunnen zetten was je gewoon gaan slapen en uitgerust aan de klus begonnen.

   Toen Lornah de volgende dag juichend als Nederlands kampioen door het finishlint rende, daarna een klein vreugdedansje maakte en alle felicitaties met mooie, stralende ogen in ontvangst nam, wist ik dat ik deze les de rest van mijn leven ging toepassen. Tenminste, voor de meeste gevallen, er zijn natuurlijk gebeurtenissen denkbaar waarbij deze vlieger niet opgaat of op z’n minste veel moeilijker, maar dat soort heftige dingen laat ik nu buiten beschouwing. In het geval van recensies is het zeker bruikbaar. Ik heb daar geen invloed meer op. Vier jaar heb ik intensief en met veel plezier aan thriller De Worsteling gewerkt. Ik heb me laten coachen door professionals, ik heb kritisch naar mijn eigen werk gekeken, geschrapt, herschreven, gepolijst. Alles heb ik er aan gedaan om het tot een boek te laten ontwikkelen waar ik trots op kan zijn. Daar had ik invloed op. Nu het boek verschenen is moet ik het loslaten. Een slechte recensie zou jammer zijn maar niets meer betekenen dan dat mijn werk bekritiseerd wordt, niet mij als persoon. Nee, ik zou me er niet door laten raken. Maar nu er teksten geschreven worden als: Een heel knap debuut waarin ongeveer alles aan de orde komt. – Goede dialogen in meeslepende scènes. – Een indrukwekkende thriller. – Het verhaal leest als een achtbaan vol emoties. Maar ook wat kritischer: Veilig geschreven maar zeer vermakelijk verhaal. Nu ik dat allemaal lees, raakt het me meer dan ik ooit had kunnen vermoeden. Werkelijk waar, soms overweeg ik een vreugdedansje rond mijn laptop. In gedachten neem ik daarbij de felicitaties met stralende ogen in ontvangst.

 

Naar boven.

 

 


 

 

theSword, april 2014

 

Relativeren

Nog even, dan zijn onze straten weer oranje versierd. Op tv en verjaardagen komen de discussies al aardig op gang. Ondertussen gaan mijn gedachten terug naar die onvergetelijke zomeravond van 2010. Onder het genot van barbecue en kruiwagens gevuld met ijs en bier keken we de voetbalfinale in de achtertuin van neef Remco.

   Met een man of twintig.

   Pierre, Remco’s schoonvader, tikte op mijn schouder. ‘Die kinderen van jullie slaan zich er goed doorheen, geloof ik hè?’ Ik humde waarop hij zijn bewondering uitsprak dat we hen betrokken bij het genezingsproces van hun moeder. Vandaag waren ze mee naar de chemokuur, om te laten zien dat de behandeling an sich niet zo eng was zodat fantasie geen loopje met hen kon nemen.

   ‘Hoe vaak moet ze nog?’

  ‘Nog twee behandelingen te gaan, Pierre. Hopelijk behoort die focking borstkanker dan tot de verleden tijd.’

   Lia krabde wat aan haar hoofddoekje en kwam bij ons staan. Ze was blij dat het er bijna op zat. Niet vanwege de vele ritjes, daar was ze wel aan gewend geraakt, de vermoeidheid werd steeds erger en het beroerde gevoel bleef steeds langer hangen.

   ‘En toch piep je niet,’ zei Pierre. ‘Knap.’

   ‘Ach, als zij al niet piept…’ Lia wees met haar ogen naar mijn zus Annie die vanuit de rolstoel naar het scherm keek waar kuit- en hamstringspieren werden gemasseerd voor de verlenging. ‘Het uiteindelijke doel, dát moet ik voor ogen houden. Alle kanker moet volledig vernietigd worden. Hopelijk is dat bij mij nu wel gebeurd en gaat ons leven spoedig weer normaal worden.’

   We wendden ons opnieuw tot het scherm waar Nederland en Spanje de strijd weer oppakten. Ik keek om mij heen. Onder oranje pruiken en gekke mutsen waren de ogen wijd opengesperd. Etiketten werden van bierflesjes gepulkt. Dubbelgevouwen flesdopjes belandden tussen de gebruikte satéstokjes. Nagels werden afgekloven. Onze zoon kreeg steeds roder wordende wangen. Zijn hals vurig bevlekt. Nederland moest nu gewoon eens goud winnen. Geen troostgoud zoals in de prehistorie, zoals hij het heilig verklaarde jaar ’88 noemde, écht goud. De allerbeste van de wereld. Nu eens een keer niet in woorden maar echt in daden. Zijn handen trilden bij het openen van nieuwe bierflesjes die zonder elkaar aan te kijken in de groep doorgegeven werden. Hoofdschuddend keek ik het tafereel aan. Waar ging dit verdomme over? Over een focking beker, meer niet. Een heel land in rep en roer omdat we een beker konden winnen met een gouden bal er bovenop.

   Goed.

   Minuten tikten weg.

   Bier vloeide rijkelijk.

   ‘Jáhááhááá…’ galmde door de tuin. Gevolgd door een stevige: ‘Kut!’ Arjen Robben miste. Links en rechts vielen er vloeken en voor de herhaling ingezet kon worden was hier al geanalyseerd dat een simpel stiftballetje voldoende was geweest. Ik vond het allemaal prima, dit was een gezellige avond, of we nu zouden winnen of niet. Verlies zou mij niet raken.

   Volgens de klok waren er al honderdvijftien speelminuten verstreken. Voor penalty’s werd gevreesd. ‘O jee,’ schreeuwde zoonlief nu Fábregas de bal naar Iniesta overspeelde. ‘Kut!’ Stekelenburg werd verrast met een diagonaal schot. Er werd gevloekt, er werd gehuild, hier in de tuin, in andere tuinen om ons heen, vanuit huiskamers. Gevloekt, geschreeuwd, getroost.

   Omdat het wel eens de laatste kon zijn nam ik nog een biertje want aan de sfeer te merken verging de wereld over enkele minuten. Na het fluitsignaal zakte mijn grote stoere zoon door zijn hoeven. Op zijn hurken zat hij tegen de zandbak. Starend zonder iets te zien. Tranen gleden over zijn wangen. Pleinen op tv waren gevuld met huilende mensen. Volwassen kerels in diepe rouw omdat het beste land gewonnen had. Lia en Annie keken elkaar aan. Jammer, zag ik hun monden uitspreken. Glimlachend haalden ze de schouders op, waarop ik mijn jongen overeind hees. ‘Kijk godverdomme!’ Ietwat hardhandig draaide ik zijn hoofd richting zijn zieke moeder en uitbehandelde tante. ‘Die hebben pas echt een probleem en gaan lachend door het leven.’ De woorden persten zich tussen mijn tanden door. In plaats van te reageren rukte de teleurgestelde zoon zich los om onmiddellijk de tuin uit te lopen.

   ‘Jantje toch,’ zei Pierre, ‘mag dat jochie even balen.’

   ‘Zolang balen geen drama wordt,’ antwoordde ik. ‘Het is een focking beker. Niets meer.’ Na enig hoofdschudden schoot ik in de lach. ‘Morgen komt gewoon het zonnetje weer op. Biertje?’

   Zonder te lachen pakte Pierre het zwetende flesje aan, lurkte er een slok uit en zei: ‘Begrijp me niet verkeerd, ik snap dat jij in deze situatie niet heel erg over dit verlies inzit maar…’

   ‘Nee, natuurlijk niet. Ik wil gewoon een gezellige avond,’ onderbrak ik hem. ‘Waarom zou dat nu voorbij moeten zijn.’

   In de stilte die viel nam ik kleine slokjes. Heerlijk koud. Goed systeem zo in een kruiwagen ijs.

   ‘Mag ik jou iets geks vragen, Jan?’

   ‘Vraag wat je vragen wilt.’

   ‘Vind je het niet jammer dat jouw relativeringsvermogen nu zo extreem hoog is?’

   ‘Nee, daar voel ik me prima bij. Als de kanker dan ergens goed voor is…’

   ‘Had je nu ook zo relaxed aan je biertje staan lurken als we gewonnen hadden of was je dan met een vlag de straat opgerend?’

   ‘Nee,’ grijnsde ik. ‘Dat was niet anders geweest, Pierre.’

   ‘Omdat het maar een focking beker is?’

   ‘Juist. Niets meer en niets minder. Slechts een focking beker. We maken het veel te groot met z’n allen, ik doe er niet meer aan mee.’

   ‘Jammer Jan, want daarmee ontneem je jezelf ook euforie en dierbare herinneringen voor het leven.’ Hij boog zijn hoofd richting mij. ‘Fijn voor je dat je in 1988 nog lekker onbezorgd was, anders kon je er niet iedere twee jaar zo plezierig over praten.’ Daarna stompte hij vriendschappelijk op mijn schouder, haalde zijn hand door de borrelnootjes om die een voor een tussen de lippen door te laten verdwijnen. Ik wendde mijn blik van hem af, liet een binnensmonds boertje die minder geluidloos was dan bedoeld en pulkte aan het etiket van mijn flesje.

   Ineens gloeiden mijn wangen op.

   Potdomme, dat was inderdaad waar. De feestvreugde die ik toen voelde op het dak van die woonboot, op het Museumplein, tijdens het hossen door de Amsterdamse straten en inderdaad rond ieder eindtoernooi weer opgerakeld wordt, die feestvreugde had ik nu zeker niet gevoeld als we eindelijk eens echt goud gewonnen hadden. Relativeren is leuk maar als je er in doorslaat beland je in een vlak leven.

 

Naar boven.

 


 

theSword, januari 2014

 

Wanneer is het mensonwaardig?

‘Opgegeven kankerpatiënten moet je geen dure behandeling aanbieden,’ zegt een jongeman. Ik sta langs de lijn bij een spannende pot hockey, naast zijn vader die mij zojuist vertelde dat zijn zoon politicus wil worden. De wereld beter maken. Om ervaring op te doen zit hij bij een jongerenpartij en hij heeft al een grandioze kostenbesparing voor ogen. Wrijvend over zijn kin gaat hij verder. ‘Of hooguit tot een bepaald bedrag. De pot van de ziekenzorg nadert de bodem en waarom zou je een leven willen rekken dat eigenlijk al mensonwaardig is?’

   ‘Pardon?’ Terwijl er ondanks protest een strafcorner niet wordt gegeven zet ik een verbaasde blik op.

   ‘Oei lala,’ zegt de aankomend politicus tegen niemand in het bijzonder, ‘waarom ziet hij niet wat ik duidelijk wel zie?’ Zonder een antwoord af te wachten legt hij een hand op mijn pols. ‘Ja, wat wil je liever: enkele mooie maanden of enkele jaren waarbij je de longen uit het lijf kotst?’

   Als je het zo stelt dan lijkt de keuze inderdaad niet ingewikkeld. Zelfs mijn zus Annie zal hier niet lang over nagedacht hoeven hebben. Tot ze ziek werd. Borstkanker, uitzaaiingen in wervelkolom, verdacht plekje op de lever. Van de ene op andere dag kreeg ze een gipskorset, rolstoel en een ziekenhuisbed in de woonkamer. Prognose: minder dan een jaar bij slechts pijnbestrijding, anders rekte een zware behandeling het leven met een jaar of drie maar daar zaten dan wel zware momenten in. Annie koos het laatste. Ze wilde alles aangrijpen om nog iets langer hier te zijn. Ze wilde de zestig halen. Iets van haar kleinkinderen meemaken die nu nog in de luier zaten. Zwager Rien was vastbesloten om de slagerij te verkopen. Hij ging zijn vrouw verzorgen en de mooiste jaren uit haar leven geven. Maar in plaats van een ontroerende hoofdknik ontving hij een veeg uit de pan. ‘De tent verkopen? Ben jij gek! Dit is ons levenswerk. De zaak gaat door. Thuis kan ik de boekhouding nog doen, bestellingen opnemen, personeelsbeleid. Trouwens: als ik er straks niet meer ben moet jij de mooiste hammen blijven maken.’

   Riens lippen bewogen maar voor hij iets kon zeggen kreeg hij te horen dat hij Annie de mooiste jaren pas zou geven door normaal te blijven doen en de tent draaiende te houden. Familieleden en vrienden genoeg die haar wilden verzorgen, naar het ziekenhuis konden brengen voor chemotherapie of weer een scan, of om gewoon lekker een stuk te wandelen.

   Ook ik deed dat graag. Geen opoffering, evenmin een goede daad, ik deed het gewoon omdat ik graag bij haar wilde zijn. Urenlang spraken we over vroeger, over de slagerij en over het dagelijkse leven. En hoe grauw ze ook kon zien of hoe diep ze in de jas wegdook als ik glimlachend de rolstoel over een tochtige weg duwde: ik was met mijn zus, zelden met een patiënt. Zelfs op de dagbehandeling oncologie, als de zoveelste zak chemo haar aderen instroomde, hadden we het gezellig of in ieder geval goed.

   Langzaamaan raakte haar lichaam op. Steeds meer uren bracht ze door in bed, zelfs zitten in de rolstoel deed nu pijn. Kanker in de lever nam toe, morfinepleisters maakten haar duf. Desondanks koos ze toch weer voor de zoveelste chemokuur. Ook nu bleef ze het leven omarmen. Tussen de pijnscheuten door genoot ze van de bloesem aan de boom achterin haar tuin, de vogels die vlak achter de schuifpui tegen een vetbolletje pikten, van het bezoek dat ze bijna dagelijks ontving en in de eerste plaats van haar gezin. En ook al waren de kleinkinderen soms erg druk om haar bed, zolang zij in de buurt waren leek de glimlach op haar gezicht nooit meer te verdwijnen. Die jochies waren de moeite waard om de komende twee weken opnieuw naar de klote te gaan, daarna kwamen er immers weer enkele mooie dagen. Het was een deal die ze sloot met de kanker. Nu is het jouw beurt, volgende week die van mij. Iets minder dan drie jaar na de diagnose besloot zij samen met de oncoloog dat verder kuren geen zin meer had. De kanker groeide te snel en het werd nu echt te zwaar. Het was goed zo. Enkele weken later gingen we verder met slechts fantastische en rijke herinneringen aan haar.

   Terwijl ik dit verhaal vertel en het spel voor onze neus gewoon verder gaat na de domme overtreding die zojuist niet is gezien, humt de jonge politicus af en toe, zoals hij waarschijnlijk altijd tussendoor humt. Zijn vader staart voor zich uit en op mijn vraag wie zonder schaamte mijn zus twee mooie jaren had durven ontnemen, slikken ze beide. Ik kijk de jongeman recht in de ogen en zeg: ‘De kwaliteit van leven fluctueert blijkbaar niet mee met de mogelijkheden. Politieke keuzes maken alsof dat per definitie wel het geval zou zijn, dat vind ik pas mensonwaardig. Kwaadaardig misschien wel.’

   Zojuist is er vanaf de achterlijn een lange bal richting de diepe spits geslagen. Vader lijkt het niet te zien, hij staart nog steeds voor zich uit, terwijl de zoon me aankijkt alsof ik een geestverschijning ben. Maar hij herpakt zich snel als een waar politicus. ‘Oké, stel dat je hierin gelijk hebt, stel, dan blijft nog steeds overeind dat jouw zus de maatschappij veel gekost heeft. Geld dat er eigenlijk niet is. Als politicus zal ik zaken rationeel moeten benaderen. Sorry als ik bot overkom.’

   De spits denkt te scoren maar slaat de bal snoeihard voorbij het doel, waarna een verdediger direct wegwerkt. Ik haal mijn schouders op en zucht een keer. ‘Voor de ziektekostenverzekering lijkt ze een dure geweest te zijn, dat is waar. Maar ja, haar leven lang hard gewerkt. Veel geld afgedragen aan sociale verkeringen en pensioen. Nooit zal ze daar één cent van zien. Nooit zal ze naar een verzorgingshuis hoeven. Niet regelmatig een doktersbezoek zoals veel oude mensen moeten doen. Annie was niet duur, Annie heeft de samenleving veel geld bespaard.’

   Shit! Een loepzuiver doelpunt wordt onterecht afgefloten. Met beide handen voor zijn ogen schudt de jong politicus langdurig zijn hoofd. ‘Ongelofelijk dat wij het langs de lijn weer eens beter zien dan de scheidsrechter,’ moppert hij, waardoor ik de opmerking dat we eigenlijk maar boffen met mensen zoals Annie ineens inslik. Ook dat zijn idee net zo dodelijk is als de kanker zelf spreek ik niet uit. In plaats daarvan leg ik nu een hand op zijn pols. ‘Luister, wanneer het leven mensonwaardig is, dat is niet aan een bedrag te hangen, dat is wettelijk niet vast te leggen. Slechts wie dichtbij staan zijn in staat om dat punt te bepalen en geloof me: de oncoloog en de patiënt hebben het bijna altijd bij het rechte eind.’

   Er wordt gejuicht. Eindelijk is er gescoord, al zegt de jongeman tijdens spelhervatting dat de scheidsrechter deze goal nooit had mogen goedkeuren. En opnieuw schudt hij langdurig zijn hoofd. Een schuine glimlach op zijn gladgeschoren gezicht. Ten slotte opent hij zijn mond maar voor hij iets kan zeggen wendt de vader zich tot zijn zoon. ‘Jongen, stel dat ik straks ziek word. Ik wil zo lang mogelijk bij jullie blijven maar omdat er geen geld voor is, sterf ik snel. Zeg je dan bij het afscheidswoord, het is goed zo?’ Hij eigent zich de jongeman zijn blik toe. ‘Eerlijk antwoorden, wat zeg je liever bij het wegzakken van mijn kist: helaas kon hij niet meer of helaas kon hét niet meer?’

   De scheidsrechter fluit af. Eindelijk rust.

 

Naar boven.

Jan Kouwenhoven Publishing © 2014-2017 | Alle rechten voorbehouden.