COLUMNS HV DORSTETI  


HV Dorsteti, mei 2016

 

Vive la France

Toegeven: kamperen is niet mijn ding en Frankrijk is niet mijn favoriete land, dus dat ik ooit een tent in la Métropole zou opzetten was net zo onwaarschijnlijk als dat ik ooit voor Oranje zal worden opgeroepen. Tot voor kort, want afgelopen weekend trokken we met uitpuilende kofferbak zuidwaarts – maar liefst negen jeugdteams van ons mochten deelnemen aan een internationaal toernooi. Onderweg mezelf niet opwinden over bumperkleven, druk getoeter en afsnijden was al een zware beproeving te noemen, maar code rood werd bijna afgegeven toen we in Wattignies het sportterrein niet op mochten rijden. Druk gebarend werd ons duidelijk gemaakt dat we de auto ergens achter de kerk moesten parkeren. Ik zag ons al een defilé lopen langs de dorpelingen, mijn vrouw en ik als pakezels volgehangen met kampeerspullen. Bonjour! Na enige onderhandeling mochten we dan toch even snel de auto uitladen.

 

De pop-up tent was zeer eenvoudig op te zetten, zo was ons althans beloofd. Maar dat bleek pas waarheid te worden nadat een fervent kampeerder, na eerst lange tijd kostelijk ons gestuntel aanschouwd te hebben, wel de juiste sluitingen en touwtjes losmaakte. Ons team had inmiddels hun legertent al staan. Nou ja, ik moet het toegeven: ze hadden zelfs het eerste eindsignaal al gehoord. Gelukkig volgden er nog meer wedstrijden voor we naar de grote feesttent mochten waar het avondeten werd opgediend. Of er was terreurdreiging of het eten moest bijzonder zijn want de controle bij de ingang was scherper dan die van de Hongaarse grensovergang. Met gepaste opluchting bleek het eten de aanleiding te zijn. Zeer bijzonder was het. Serieus. Voor het eerst van mijn leven een kok getroffen die het zelfs voor mekaar heeft gekregen macaroni grandioos te verpesten.

 

De volgende dag moesten we meer dan eens een flinke sprint trekken omdat de organisatie zo vriendelijk was het spelschema alleen in het Frans om te roepen. Eerst verbaasde blikken naar elkaar, soms wanhopig op zoek naar een ouder die de taal wel machtig was. En dan: ‘Stil eens: volgens mij moeten we na deze wedstrijd op veld 6. Toch? Nee joh! We moeten naar veld 2. Nu!’

   Slechts één regenbui was nodig om ons duidelijk te maken waarom de vier legertenten ooit waren afgekeurd voor onze soldaten. Twee jongens- en twee meisjesteams werden met man en macht geëvacueerd naar een nabij gelegen sporthal. De vaders die zich opofferden erbij te gaan liggen, omdat zij als geen ander weten wat jongens graag willen, halen waarschijnlijk nu nog steeds misgelopen slaap in.

 

 

Afijn, dag drie: Enige tijd na een lauwe douche waar rondom voetschimmel, spinnen en ander ongedierte hand in hand over vloer en muren liepen, werd ik er door lolbroeken op gewezen dat ik beter vooraf een vijfdaagse cursus had kunnen volgen voor het opvouwen van de pop-up tent. Over de taferelen met toiletrollen zwijg ik. Net als over de staat van de gemengde toiletten. Het zal duidelijk zijn dat kamperen nog steeds niet mijn ding is en Frankrijk niet is gestegen op mijn lijstje ‘favoriete landen’, maar ik hoop toch zo vurig dat we volgend jaar weer gaan. Sporters en ouders hebben zo enorm genoten en wat hebben we gelachen om de dingen die niet zo liepen als wat wij in ons thuisland gewend zijn. Werkelijk een topweekend, zonder overdrijven een herinnering voor het leven. Ik had het nooit, nooit, nooit willen missen. Vive la France!

 

Naar boven.

 


HV Dorsteti, november 2015

 

Meidensport?

‘Mam, mijn knie bloedt. De scheids zegt dat er een pleister op moet.’ Onze spits, zojuist dook ze op volle snelheid de cirkel in, maakte een buikschuiver en wist nog net de bal tussen de palen te tikken. Twee turven hoog is ze. Sproetjes op een blij gezicht, twee staartjes hangen over haar oren. Handen losjes in de zakken van haar trainingsbroek. Tenminste; zo ziet ze er zowel voor als na de wedstrijd uit. Zodra onze spits twee felgekleurde sportschoenen tussen de lijnen plaatst, dansen binnen no-time de staartjes achter een verbeten koppie aan. Slechts één keer balcontact is nodig om de tegenpartij te leren dat kleintjes heel erg groot kunnen zijn.

   De ogen van haar moeder schieten door een handtas. Haar hand graait alsof ze in een grabbelton zit. Uiteindelijk wordt er een pleister naar boven gevist, die op zorgzame wijze op de knie wordt geplakt. ‘Wacht meid,’ zegt moeder. ‘Wacht.’ Ondertussen wordt de handtas weer driftig opgeschud. ‘Onder je knie zit nog meer bloed.’

   ‘Dat is juist gaaf, mam, bloedvlekken zijn stoer!’ Voor de hockeymoeder nog iets kan zeggen, rent onze spits terug naar haar positie.

 

Dat onze verdediger over het veld vliegt kunnen we niet zeggen. Met inlopen hobbelt ze altijd al achter de groep aan. Ze heeft er niks mee, met hardlopen. Hoeft ook niet, zij speelt met het hoofd en laat haar handen werken. Ze heeft het spel voor zich, ze kijkt goed om zich heen en weet altijd waar het spel naartoe gaat. De tegenstander die op ons doel afrent laat zij tegen zich aanlopen. Haar lichaam iets voorovergebogen zodat het de tegenstander is die het kunstgras van dichtbij kan bewonderen en onze voorhoede weer een strak ingespeelde bal kan verwachten.

 

Na de wedstrijd geven onze meiden de tegenstander een hand. ‘Goed gespeeld hoor,’ zeggen ze. Eerlijk gezegd weet ik niet of ik dat als compliment of als belediging zou zien, als ik 5-2 klop had gehad. Maar goed, niks zeggen is pas echt onsportief, dus dat is zeker geen optie. Aan de limonadetafel wordt druk gesproken en uitbundig gelachen. Onze rechtshalf doet er gewoon aan mee, ondanks dat er een ijszak op haar bovenbeen ligt. ‘Whow cool hé!’ proest ze als ze even onder het ijs kijkt. ‘Wat een vette balafdruk.’

   Haar vader zet een zorgelijke blik op. ‘Kind toch, daar zal je nog wel even last van hebben.’

   ‘Boeien,’ roept ze lachend. ‘De drie punten gaan mee naar huis, dit jaar gaan we de platte kar op!’

 

Hockey is een meidensport, heb ik nog wel eens beweerd. Inmiddels weet ik beter: hockey is voor ware bikkels.

 

Naar boven.


HV Dorsteti, september 2015

 

Generatiekloof

‘Pap, ik heb onwijs vette scheenbeschermers gezien. Zelfde kleur als mijn hockeystick. Wacht, ik heb er een foto van gemaakt.’

   Ik werp een verbaasde blik over mijn leesbril, tegenwoordig kan ik niet meer zonder. ‘Maar meid, je hebt toch goeie?’

   ‘Nee, die zijn oud en zitten rottig bij mijn hiel. En ze zijn lelijk. Die ik gezien heb zijn echt super cool. En ze hebben niet van die duffe bandjes onder de voet.’

   Ze schuift haar telefoon richting mij. Ik zet de leesbril op het puntje van mijn neus, bekijk de foto. ‘Wat kosten ze, schat?’

   ‘Dertig euro.’

   Abrupt zet ik mijn leesbril af. ‘Dertig? Goeiedag, dat is ehm, pak ‘m beet, zo tegen de zeventig gulden, weet je wat we daar vroeger allemaal voor deden?’

   ‘Pap alsjeblieft, kom nu eens een keer uit de prehistorie. Straks begin je ook nog over je zwarte voetbalschoenen, die vreselijke muziek van toen om vervolgens over te gaan in het spelen op straat. Tijden zijn veranderd en telkens als ik jouw verhalen aanhoor dan ben ik daar erg blij om. Het is nu toch echt veel chiller dan vroeger. Nu mogen dingen er vet uitzien, pap. Saai is uit.’

   ‘Saai…?’ Ik stop het pootje van de leesbril in mijn mond. Kijk naar buiten waar fietsen staan met hippe kleuren en grote manden voorop. Mijn gedachten dwalen af naar mijn tienerfiets. Drie versnellingen had ie, tegenwoordig heb ze er vijftien terwijl er nog steeds maar drie van gebruikt worden. Rolschaatsen bonden we onder onze laarzen, maar als het asfalt van ons was tijdens de autoloze zondagen gingen ze als een speer. Op tv hadden we maar slechts Nederland 1 en 2, maar laten we eerlijk zijn: zijn we nu gelukkiger met driehonderd zenders?

   ‘Nee meid, vroeger was zeker niet saai, toen ging het vooral om functionaliteit, dat wel. Maar dat is niet saai. Jullie willen allemaal hetzelfde, alsof dat zo spannend is zeg.’ Ik zet de leesbril weer terug op mijn neus, glimlachend pak ik de krant weer op.

   ‘Oké pap, dan zal ik later ook wel zo’n domme leesbril hebben en overal verkondigen dat ik die nodig heb. Dat doen mensen van jouw leeftijd veel. Spannend hoor. Echt heel erg spannend.’

   Met grote ogen kijk ik haar aan. Glimlachend bekijkt ze de foto op haar telefoon. Ik doe mijn leesbril af, laat hem in mijn borstzak glijden en pak dertig euro uit mijn portefeuille. ‘Haal die vette scheenbeschermers maar snel, meid, voor ze uitverkocht zijn.’

 

Naar boven.

 


HV Dorsteti, augustus 2015

 

Hockeyterreur

Eindelijk zaten we dan in onze auto. Als sardientjes in blik tussen de vakantiespullen. Bijna op weg naar onze welverdiende vakantie, toen de oudste ineens grote ogen opzette en gehaast zei: ‘Pap, je hebt toch wel aan de hockeysticks gedacht, hè?’

   Ik ademde diep in, sloot even mijn ogen en kneep hard in het stuur. ‘Ach toe joh,’ zei mijn vrouw, ‘een paar van die sticks kunnen er altijd wel tussen geschoven worden, toch?’

   Vier pleasende puberogen in de achteruitkijkspiegel, naast mij twee wenkbrauwen die tot in de haargrens opgetrokken werden. ‘Tuurlijk,’ zei ik, ‘net als die hoge hakken voor uiteten, platte hakken voor het winkelen, bergschoenen voor de voorgenomen boswandelingen, sportschoenen voor als we toevallig een keer aan sport denken, laarzen voor het geval van regen… hebben jullie trouwens wel aan de moonboots gedacht? Straks trekt de winter eerder binnen dan verwacht, weet jij veel.’

 

In de tweede week van onze welverdiende vakantie vroeg ik voorzichtig of er voor onze hockeysticks al een WW-uitkering was aangevraagd. De puberblikken die zich op mij richtten waren ongeveer van dezelfde dodelijke categorie als toen ik ooit langs de lijn voor de grap riep dat er iemand buitenspel stond.

   De jongste raapte een stick op en rolde de bal iets vooruit. ‘Pap,’ sneerde ze, ‘zie je dan werkelijk zelf ook niet dat er in dit campinggras onmogelijk te hockeyen valt?’

   Vakantiebelang voorop, dus dat voetballers daar dus geen last van zouden hebben, slikte ik in. Die opmerking zou alleen maar een waterval aan hockeyfeiten opleveren. Maar hockey is véél sneller, hockey is níet conservatief, onze sport durft wél te veranderen. Dat soort. Als een paal boven water. Absoluut. Toch zou ik de stortvloed onderbreken met mijn feit: voetballers douchen wel na training en wedstrijd. Dat is niet alleen hygiënisch, het is ook erg goed voor het teamgevoel. Frustraties worden uitgesproken, feestjes worden gevierd. Kleedkamerhumor: de mooiste die er is, alleen al daarom zouden we douchen bij de hockey moeten invoeren. Durf eens iets meer te veranderen dan spelregels!

 

In de derde week van onze welverdiende vakantie kwam de stroom aan WhatsApps op gang. Over de trainingen. Welke dagen ook al weer en hoe laat? Wanneer is de eerste? Is er nog een oefenwedstrijd? Waarom niet? O, toch wel? Tegen wie dan? Daar helemaal? Uitshirtjes meenemen? ‘Hemeltjelief,’ mompelde ik, ‘de hockeyterreur komt weer lekker op gang zeg.’ Hoofdschuddend zette ik het geluid van de groepsapp uit, in vakantietijd is het zo lekker om even niets te moeten. Geen rekening houden met eten voor of na de training. Vrije zaterdagen. Heerlijk!

 

Onze welverdiende vakantie ligt weer achter ons. Het normale leven komt in hoog tempo weer op gang. Niet doorvertellen, maar ehm… nou ja, eigenlijk heb ik weer grandioos veel zin in de normale zaterdagen. In de hockeyzaterdagen. Sst!

 

Naar boven.

 


HV Dorsteti, mei 2015

 

Wij gaan Europa in!

Dit weekend, ik vind er geen bliksem aan. Onze jongste heeft een internationaal toernooi. Ergens in Frankrijk. ‘We gaan Europa in,’ galmt al wekenlang in huis. Om niet de ouwe chagrijn uit te hangen, zing ik uit volle borst mee. Ik lach er zelfs bij. Maar zoals gezegd: ik vind er helemaal niks aan, zo’n sportkamp. Denk je eens in, een paar honderd jeugdige sporters bij elkaar. Tenten bezaaid met stinkkleding. Vuile kousen liggen te dampen op de klamme slaapzakken. Over onderbroeken zwijg ik. Gebruik je eigen fantasie maar. Maar neem nu eens het eten daar op bivak in den vreemden – echt smerig mag je het niet noemen, voor het keurmerk ‘culinair hoogstandje’ komt het zeker niet in aanmerking. Het vult, daarmee is alles wel gezegd. Het terrein waar het tentenkamp is opgeslagen, is niet berekend op zoveel gasten. Veel te weinig toiletten. Het toernooi is nog geen dag oud of zelfs de kakkerlakken vluchten massaal het toiletgebouw uit. Nee, dan de douches… och, als je de verhalen van vorig jaar moet geloven, heb je geluk als er nog een beetje water uit de verkalkte douchekoppen druppelt.

   De sporters boeit dit alles niet. Voorzieningen zijn slechts bijzaak, meer niet. In een weekend als deze doet hygiëne er niet toe, het draait om chillen, links en rechts een wedstrijdje spelen, dan weer heerlijk dollen. Met elkaar wachten ze het perfecte moment af om hun leider onder de douche te zetten. Teamwork. En ze stoten elkaar aan als ze de blikken richten op de Franse jongens. Die zien er best lekker uit, zeggen ze tegen elkaar. Nog zo’n reden dat ik er geen donder aan vind. Aan dit weekend. Niet dat ik een overbezorgde vader ben. En dat ik het mijn kind niet gun, dat is al helemaal niet aan de orde. Nee, eerlijk gezegd en graag onder ons houden: dat ik er geen bal aan vind, aan dit weekend, komt eigenlijk puur voort uit een egoïstische trek van mij. In huis is het een stuk stiller als er eentje weg is. Het gezin is niet compleet. Niet saai, wel minder leuk. Toch vind ik het natuurlijk geweldig dat de jongste op kamp gaat. Zij wordt er weer iets groter van, voor mij draagt het bij in het proces van steeds iets meer loslaten.

   Meiden, jongens en begeleiders: In dit weekend wacht een mooie prijs op jullie. Weer een herinnering voor het leven. Jullie gaan Europa in. Zet ‘m op en bovenal enorm veel plezier toegewenst!

 

Naar boven.


HV Dorsteti, april 2015

 

Cappuccino en bellen wijn

Serieuze blikken tekenen de gezichten van een groepje ouders langs de lijn. Er wordt druk gesproken over de dochters, gisteravond hebben ze een feestje gehad. Niks mis mee, zou je denken, ware het niet dat de deugnieten het fenomeen drank hebben leren kennen. En omdat een waterig slurpwijntje kennelijk moeilijk verkrijgbaar is, hebben ze meteen een likeur-proeverij gehouden. Joost mag weten waar ze al die mooi gekleurde flessen met bijzondere namen vandaan hebben getoverd.

   Vlak voor middernacht trad er vluchtige telefooncirkel in werking. ‘Schrik niet, maar je dochter moet opgehaald worden,’ zei de eigenaar van dochters verblijfplaats. ‘En o ja, neem een teiltje mee voor de terugrit.’

   Nu langs de lijn zit de schrik er nog flink in. Reacties worden gedeeld. Ontplofte de ene ouder gisteravond nog, de ander heeft het verbale standje uitgesteld tot vanmorgen omdat het met een bonzend hoofd erbij nu eenmaal veel harder aankomt. Weer een ander ging voor een goed gesprek tijdens een verplicht ontbijt van eieren en spek. Nou ja, het was eerder een intensieve lezing waarbij de gevolgen over overmatig drankgebruik werd behandeld – met vanzelfsprekend het omgespoelde teiltje binnen handbereik. Geen flauw idee wie van de meiden de meest gewenste ontnuchtering genoten heeft.

 

De scheidsrechter fluit voor rust, de meiden moeten bij de leider komen, maar van enige haast is geen sprake. Ze ginnegappen over…? Tja, geen flauw idee. Tenminste: dat wil je als falende opvoeder op een dag als deze waarschijnlijk niet weten. Slenterend naar het clubhuis vragen we onszelf af hoe wij vroeger zelf waren. Goed, ook wij waren nieuwsgierig, alleen gieten ze er tegenwoordig meteen van die sterke zooi in. Dat Pisang Ambon, Disaronno, Baileys en Bacardi allemaal niet onlangs is uitgevonden, is een gegeven dat precies in het gat van ons geheugen is gevallen.

   Een vader neemt de bestelling op, de rest gaat zitten aan de lange tafel van steigerhout. We stellen vast dat we langzamerhand onze ouders beginnen te begrijpen. Opvoeden is niet altijd gemakkelijk. Zo nu en dan vlamt er een blozende glimlach op, maar die wordt telkens weer door hoofdschudden opgevolgd. Zodra het dienblad verschijnt, kijken drie moeders gefronst naar de grote bellen wijn die voor hun neus worden gezet. ‘Ja,’ zegt de goedgeefse vader, ‘ze hadden geen Prosecco, ik dacht dit zal ook wel goed zijn.’

   ‘Prosecco?’ zegt er één half lachend. ‘We hadden cappuccino besteld!’

   Opeens weten we het: waarschijnlijk hebben de meiden gisteravond gewoon Starbucks Coffee besteld. Natuurlijk, en van ons hebben ze geleerd beleefd te zijn. En dat weggooien in ieder geval een grote zonde is.

   De eerste tien minuten van de tweede helft hebben we gemist.

 

Naar boven.

 


 

HV Dorsteti, maart 2015

 

Regel het

‘Schiet op! Jullie verzamelen al over vijf minuten. Heb je de scheenbeschermers? En o ja, denk aan een vest voor als je wissel moet zitten, op de wind is het nog fris.’ Anne-Claire ritst de tas van dochterlief open – het zou niet nodig moeten zijn maar voor de zekerheid toch nog even alles controleren. Je zal net zien dat het bitje ontbreekt, wie mag er dan straks weer naar huis om dat rotding op te halen? Precies, mama. ‘Verdorie meid, kousen! Je hebt je kousen niet ingepakt!’

   ‘Ah nééé, mam! Je hebt ze toch wel gewassen, hè?’ Verwilderde puberogen schieten door de slaapkamer. ‘Shit, ze liggen nog onder mijn bed, nu moet ik die stinkdingen aan.’

   ‘Och meisje, gooi ze dan ook in de wasmand, dan kan mama het niet vergeten.’ Anne-Claire weet het nu zeker: maandag koopt ze eerst een reservepaar, zo kan je je kind niet de deur uit laten gaan. Beschamend dit zeg. Ze werpt een blik op de klok. ‘Ik breng je wel weer even met de auto, meid. De volgende keer eerder beginnen met inpakken, hoor!’

   Onderweg naar de auto schieten ze de jassen aan. ‘Als jij je moeder ook niet had, kind,’ zegt Anne-Claire als ze aan haar autogordel zit te sjorren. ‘Tante Jolanda doet dit allemaal niet hoor, jouw neven moeten alles zelf doen.’

 

‘Hoe laat begint de wedstrijd ook alweer? Veel plezier, jongen. Kijk goed uit onderweg, hè.’ Jolanda zwaait haar jongste zoon uit. Ze maakt nog even een klusje af, dan springt ze zelf ook op de fiets. Het team kan stuivertje wisselen met nummer 3. Hoe belangrijk en spannend de pot van vandaag ook mag zijn: tassen nakijken doet Jolanda allang niet meer. De kinderen zijn oud en wijs genoeg om zelf te checken of de tas compleet is, vindt ze. Vergeten ze iets dan kunnen ze zelf terug om het te halen. Pech als er daardoor een gedeelte van de wedstrijd gemist wordt, daar leren ze het wel mee af. Meteen na de wedstrijd of training mogen de jongens zelf de kleding in de wasmand gooien. En doen ze dat niet? Tja, helaas pindakaas, dan wordt er niet gewassen. Eigen schuld dikke bult. Jolanda heeft er geen last van als de sporter meurend over het veld loopt, ze staat op veilige afstand langs de zijlijn. Het is nog maar twee keer gebeurd gelukkig. En dat is al drie jaar geleden. Zo heeft ze haar man Jan-Hendrik ook zelf leren nadenken. Hij en Anne-Claire hoefden dat vroeger thuis niet, hun moeder regelde daar alles. Jolanda is dol op haar schoonfamilie, dat is het niet, maar eerlijk gezegd zou zij er niet aan moeten denken om andermans verantwoordingen op zich te nemen. Echt niet.

 

Naar boven.


 

HV Dorsteti, februari 2015

 

Dag zaal, hoi voorjaar!

Wat was het heerlijk toen afgelopen najaar de zaalcompetitie weer begon. Even niet op je hoede hoeven zijn voor een spontane sproei-inrichting die niet alleen het veld maar ook de toeschouwers beregent. Geen snijdende wind, geen opgezette kraag, muts tot over je oren en drie paar sokken aan je voeten maar gezellig vanaf de tribune naar een ander soort hockey kijken. Sneller, technischer, overzichtelijker. Meer doelpunten en soms binnen een minuut een totaal andere stand. Goed beschouwd spannender, zaalhockey. Twee korte wedstrijdjes achter elkaar, dan weer snel naar huis, ook zo iets aangenaams. En tijdens de wintercompetitie boeit het niet als op de heenweg de ruitenwissers op standje drie staan want je weet: straks zitten we toch wel hoog en droog. Eigenlijk moet ik ver terug in de tijd dat ik tijdens de herfstvakantie niet gloeiend toe was aan indoor.

 

Tergend spannend waren onlangs de laatste overdekte wedstrijden. Kampioen worden zat er helaas niet meer in maar de kampioenskandidaat een voet dwars zetten gaf bijna dezelfde euforie. Een heerlijk gevoel dat, eerlijk is eerlijk, ook gevoed werd door het idee dat het de laatste keer was dat we naar een duffe zaal moesten. Het stinkt aan alle kanten, zo’n sporthal, daarbij is de akoestiek niet prettig voor de trommelvliezen. En staat er op de tribune niet een pilaar grandioos voor je neus dan baal je wel dat de koffiebar gesloten is.

 

Maar goed, je knippert even met je ogen of de veldcompetitie staat alweer voor de deur. Nog even en we zoeken langs de lijn een mooie positie waar vanaf heel het veld te zien is. Anders gaan we staan op de helft waar de wedstrijd zich gaat afspelen. Althans: volgens de soms ietwat overmoedige verwachtingen. We mopperen met een gekke bek over de scheids, de spelerswissel die weer eens niet te snappen is, de misslag pal voor het doel. We dollen met gelach. Soms sluiten we even de ogen als de eerste zonnestralen door de wolken proberen te prikken. Later, als de zon echt aanwezig is en we er we na afloop weer eens zin in hebben, doen we ons best om de clubkas wat aan te vullen. Aan de picknicktafel vragen we ons af hoeveel aandelen ‘Clubhuis’ inmiddels op onze naam zullen staan. De barmedewerker heeft geen flauw idee en zelf komen we er ook niet uit dus we bestellen nog een rondje. Vaker dan het thuisfront lief is blijven we plakken, terwijl we ons ’s morgens anders voorgenomen hadden. Geen probleem, op de terugweg kopen we gewoon snel wat pizza’s om die met de zonnegloed in het gezicht als avondeten te verorberen.

   Heerlijk, bijna weer het kunstgras op. Tja, eigenlijk moet ik ver terug in de tijd dat ik tijdens de voorjaarsvakantie niet brandend toe was aan de buitenlucht.

   Dag zaal, hoi voorjaar!

 

Naar boven.

 


 

HV Dorsteti, januari 2015

 

Op díe fiets

‘Môge buurman,’ roep ik naar de man die zijn auto staat te wassen. Geen flauw idee waarom ik hem toch altijd buurman noem, hij woont drie straten verderop. Een vriendelijke kerel, buurman. Een tikkeltje eigenaardig, in ieder geval anders. Hij vult zijn zaterdag op een manier zoals ik voor geen goud zou doen. Iedere week wast en poetst hij urenlang de lak van zijn auto. Afsluitend geeft hij de velgen met een klein borsteltje een grote beurt. Je moet er maar zin in hebben. ‘Môge,’ roep ik nog eens. Mijn handremmen piepen. Buurman veert overeind, groet terug en op zijn vraag of ik weer eens op weg ben naar de sporthal zeg ik volmondig: ‘Ja heerlijk, ik heb er brandend veel zin in, mooi potje vandaag.’

 

Buurman begrijpt er helemaal niets van, het lijkt hem drie keer niks, iedere week weer een beetje rondhangen langs een duffe zijlijn. Weg zaterdag. Ik vertel dat ik dat zo niet zie, het is juist de plek waar je iedere week weer leuke mensen ontmoet. Interessante mensen. Inspirerende zitten er zelfs tussen. Vorige week nog sprak ik een man die ik voor het gemak Henk-Jan van Zwieten zal noemen. Nou ja goed, ook gewoon omdat hij zo heet. Henk-Jan is in training voor Tour for Life, een evenement waarbij wielrenners in acht dagen van Noord-Italië naar Rotterdam fietsen. Niet alleen vanwege de uitdaging om met brandende bovenbenen vreselijke bergen onder je trappers door te zien kruipen, vooral om geld in te zamelen voor de Daniel den Hoed Stichting. Geld om een hoopgevende methodiek te ontwikkelen die een groot deel van de mensen die jaarlijks de diagnose kanker krijgen een oplossing moet bieden. De knappe koppen zijn er al ver mee, helaas nog lang niet ver genoeg.

 

Buurman knikt, dompelt tussendoor herhaaldelijk de spons in het sop. ‘Tja, Henk-Jan vertelde het mij laatst,’ zegt hij ten slotte. Ik kijk hem verbaasd aan, waarop buurman in de lach schiet en zegt: ‘Jij mag er een sportvereniging voor nodig hebben, ik maak leuke, interessante en mooie praatjes tijdens het autowassen.’ Grijnzend zwaait buurman zijn spetterende spons door de lucht als ik weer op de fiets stap. Tja, denk ik, dat is natuurlijk ook wel weer waar, ieder zo zijn eigen geluk. Ik kijk nog één keer over mijn schouder. Tjonge, wat ben ik blij dat mijn kinderen sporten en ik die mooie momenten langs de lijn mag vinden.

 

(Kijk hier als je meer over deze actie wilt weten, of indien je bij wilt dragen. Klein, groot, volgens buurman is ieder bedrag meer dan welkom.)

 

Naar boven. 

 

 


 

 

HV Dorsteti, december 2014

 

Samen is niet alleen

Het eerste dat we onze sporters leren, overspelen. Of zoals de coach van All Stars het er gekscherend inhamerde: samen is niet alleen. Zowel team als individu worden er beter van. Eigenlijk ken ik binnen de hockey en voetbal niemand die het hier niet mee eens is. En toch weten deze twee werelden het niet bij elkaar toe te passen. Sterker nog: vaak bijten we elkaar. Nou ja, bijten is misschien ietwat overdreven, we blaffen naar elkaar. Omdat we denken dat we totaal anders zijn, terwijl als je met beide sporten te maken hebt, je wekelijks ziet dat we eerder verdraaid veel op elkaar lijken. Het speloverzicht komt aardig overeen. De passie voor de sport, gecombineerd met beter willen worden. Omgaan met winst en teleurstellingen. Humor binnen en buiten de lijnen. Beide sporten worden oververtegenwoordigd door mensen die begaan zijn met de club en elkaar. Mensen waarmee je mooie, diepe gesprekken kunt voeren, waar je slap mee kunt kletsen, waar je mee kunt lachen. Niet zelden gierend.

 

Voor het komende jaar hoop ik dat de bestuursleden van beide verenigingen aan elkaar beginnen te snuffelen, net als de tc-leden, trainers, leiders… Leren van elkanders ervaringen, fouten en successen, sterke- en zwakke kanten. Trainingsmethoden kunnen uitgewisseld worden, opleidingsplannen, beleid. Dat kan, we zijn geen Adidas en Nike, we hoeven niet te concurreren, we zijn gewoon heerlijke amateurverenigingen die vooruit willen. Volgens mij werkt dat pas echt als we bereid zijn elkaar beter te maken. Net zoals de keeper en de achterhoede elkaar behoren te coachen willen ze betere resultaten behalen, het middenveld soms meeverdedigt maar ook de aanval niet schuwt en de voorhoedespelers de bal afgeven als er iemand anders vrijer voor de goal staat. Samen win je meer. Op het veld en buiten het veld. Werkelijk, ik ben ervan overtuigd dat we elkaar geweldig kunnen inspireren, dat daarmee onze clubs nog mooier zullen worden.

 

Nu ik bovenstaande tekst teruglees besef ik dat ik toch weer beperkt denk. We moeten het veel breder trekken, samenwerken geldt eigenlijk voor alle sportverenigingen. Zo zie je maar weer hoe snel en gemakkelijk je oogkleppen opzet en alleen je eigen wereld ziet.

 

Tja, samen is niet alleen, mooie quote eigenlijk.

 

Een geweldig, inspirerend, sportief maar vooral liefdevol en gezond 2015 gewenst!

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, november 2014

 

Bardienst

‘Och nee toch, vreselijk, komende zaterdag hebben we bardienst, schat. De vorige keer heb ik het gedaan dus nu…’

   ‘Doe jij het weer, Jan, ik heb vriendinnenweekend in Schoorl.’ Ze kijkt me aan met een triomfantelijke blik die mij laat mopperen dat ik ook wel eens met een stuk of wat vriendinnen een weekendje door zou willen brengen. Ook heerlijk aan de kust in een huisje met sauna en openhaard. En dan het liefst tijdens de eerstvolgende bardienst. Een bloedhekel heb ik eraan om een beetje achter zo’n bar te gaan staan. Nooit weet ik hoe de kassa werkt, de pinautomaat, wat een broodje kroket kost, waar de flesjes chocolademelk staan. Welk van alle Haribozakjes is in hemelsnaam gevuld met happy cherries? En maar blij kijken! Zelfs wanneer je acht minuten met een tosti rondloopt omdat je niet meer weet wie dat ding besteld heeft. Nee, bardienst is niet aan mij besteed. Maar ja, wat is een sportvereniging zonder extra inkomsten? Daarbij zou ons cluppie behoorlijk aan gezelligheid inboeten als we geen clubhuis zouden hebben. Niet op komen dagen is geen optie.

 

Klokslag twaalf zet ik de fiets op slot, vandaag helaas geen plaats langs de lijn voor mij. Clubbelang voor alles. Binnen maak ik kennis met de twee andere dwangarbeiders die het thuis ook verloren hebben van hun partners. In het begin zijn we wat onwennig maar al snel zetten we de lekkerste koffie, serveren we de meest fantastische tosti’s en bakken de allerbeste kroketten. We maken links en rechts een praatje, beantwoorden vragen over onze clubhistorie en nemen de telefoon op alsof we hier al jaren werken. Op een rustig moment gaan we beurtelings naar buiten zodat we toch nog iets kunnen zien van onze sporthelden. Als ik het veld nader worden er grapjes gemaakt dat het hier plotseling naar Dobben-kroketten stinkt, of ik alsjeblieft aan de andere kant van de wind wil gaan staan en of ik de volgende keer misschien vijftien koffie wil meenemen. Het wordt mij nog niet helemaal duidelijk of de barmedewerker populair is, of een gemakkelijk prooi. Op gejuich vanaf het veld zien we dat er gescoord is, door ons team maar wie precies de doelpuntmaker is dat mag Joost weten. Vrij snel na spelhervatting loop ik weer terug naar mijn werkplek waar drie jongetjes – met een twee-euromunt stevig in de knuistjes geklemd – maar niet kunnen kiezen. Het liefst hadden ze papa’s creditcard meegenomen, was het niet zo’n enorme krent geweest, zeggen we tegen elkaar.

 

Drie nieuwe vrijwilligers melden zich. Ik kijk op de klok. Goh, zijn die vier uurtjes nu alweer om? Omdat het anders echt te vol zou worden achter de bar dragen we de dienst over om met een brede lach afscheid te nemen.

 

Ach ja, soms kan je ergens zo onnodig tegenop zien.

 

Naar boven.

 

 


 

  

HV Dorsteti, oktober 2014

 

Tijden veranderen

Zomaar een zaterdag in de herfst van 2002 – sporters dollen op de verzamelplaats, ouders discussiëren over de snelste route, wijsvingers schuiven kriskras over de verfomfaaide wegenkaart op iemands motorkap. Gekozen wordt voor het weggetje binnendoor en degene die dit wel vaker heeft gereden gaat voorop. Acht auto’s trekken in kolonne over de dijk, langs mistige weilanden en door verlaten bossen om uiteindelijk ergens midden in een woonwijk uit te komen. Het sportterrein lijkt ver weg. En dat is het ook volgens de behulpzame vrouw die haar hond uitlaat. Auto’s keren, zigzaggen tussen bloembakken door en veren op over drempels als de wave in een stadion. Omdat de leidende auto het even niet meer weet laat hij zich bij een T-splitsing naar de tweede positie zakken. In de volgauto’s klinken grappen zoals: die gaat nooit meer voorop; zeker aandelen in Shell; het eerste koffierondje is voor die loser; zullen we hem straks als mascotte aan een doelpaal vastbinden?

   Als eenmaal op de parkeerplaats onze dwalende gids zich uitrekt en in een langgerekte geeuw beweert dat dit dorp in ras tempo uit zijn voegen is gegroeid, wordt hem voor Sinterklaas een recente wegenkaart beloofd.

Gelukkig is er nog net voldoende tijd om in te spelen, ouders storten zich op de welverdiende koffie, waarna een spannende pot volgt met langs de kant veel grappen en gelach over de terugreis van straks.

 

Zomaar een zaterdag in de herfst van 2014 – sporters chillen wat op de verzamelplaats, ouders wisselen adressen uit, behendige wijsvingers stellen navigatiesystemen in. Daarna zoeft een slang aan auto’s langs landschappen en onder mooie luchten door. Hoewel bij een groot kruispunt de meesten naar rechts worden genavigeerd, volgt iedereen de voorste auto die rechtdoor gaat om uiteindelijk midden in de stad uit te komen. Stoplichten, overstekende voetgangers en invoegende auto’s trekken de kolonne bruut uiteen. Sommige systemen geven de opdracht om te keren, anderen sturen hun bestuurder naar de derde afslag van de eerstvolgende rotonde. Eigen navigatiesysteem volgen is nu de verstandigste beslissing. Als de TomTom, van wat ooit auto één was, aangeeft dat de bestemming bereikt is, is er niets meer te zien dan woonboten aan de rand van een Vinex wijk. Sportvelden lijken ver weg, maar dat is het niet volgens een man achter een kinderwagen. Even de woonwijk doorkruisen en je ziet het vanzelf.

   Wanneer basisschool De Oase voor de derde keer gepasseerd wordt en er na een stukje achteruit toch de andere weg wordt ingeslagen, druppelen al snel van links en rechts de sporters met hun supporters binnen op het moderne sportcomplex. Een enkeling is al toe aan een tweede bak koffie, de meerderheid hunkert nog naar de eerste slok. Er worden grapjes gemaakt over de TomTom die ooit nog van Napoleon geweest moet zijn. Anders is deze vast en zeker ingesproken door een vrouw. Geadviseerd wordt om voor Sinterklaas een update te vragen. Een spannende pot volgt met langs de lijn veel grappen en gelach over de city tour van zojuist.

 

Tijden veranderen maar om nu te zeggen dat daarmee alles verandert…? Gelukkig niet.

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, september 2014

 

Scheidsie toch!

Een hand drukt voorzichtig in mijn onderrug. ‘Hoeveel staat het?’ De ogen die me vragend aankijken zijn van onze spelverdelers opa.

   ‘1-0 achter, oop,’ zeg ik. ‘Onterecht want wij zijn beter.’

   ‘Laat me raden, Jan. We hebben de scheidsrechter niet mee.’

   ‘Breek me de bek niet open, oop.’ Zonder opzij te kijken pak ik ineens zijn pols beet. Onze spits slaat rakelings langs het doel. ‘Oei!’ roep ik. ‘Mooie bal hoor!’

 

In de rust maken de coaches drukke gebaren. Spelersschouders worden beetgepakt, posities op het veld aangewezen en zodra de scheids het spel hervat gaan vanaf onze dug-out de duimen omhoog. Dat de peptalk gewerkt heeft wordt meteen na de afslag al duidelijk. Nog voor de tegenpartij de bal heeft aangeraakt bonkt hij tegen de plank achter hun keeper. Luid gejuich klinkt en opa blijft klappen tot beide teams weer opgesteld staan. Dit smaakt naar meer, het kan, zie je wel dat het kan, maar dat valt vies tegen. Dat de tegenstander de bal met de voet schampt wordt enkele keren niet gezien en nu er zelfs een loepzuivere shoot wordt gemist, die mijn tante met brilsterkte min zes nog niet ontgaan zou zijn, komen onze spelers in verweer. Ondertussen gaat het spel verder en voor wij er erg in hebben staan we opnieuw achter. ‘Ongelofelijk dit, scheidsie toch!’

 

Na het laatste fluitsignaal klinkt gemopper. ‘Gewoon bestolen, we zijn gewoon bestolen. Had de scheids goed gefloten dan stapte het beste team nu als winnaar van het veld.’

   In de dug-out rapen de spelers de spullen bij elkaar. Koppies omlaag. Ik buig mijn lichaam half over het hek. ‘Goed gewerkt, hoor! Jullie speelden een prima pot maar zij moesten blijkbaar winnen.’

   Omringende ouders beamen mijn conclusie, het is ook altijd hetzelfde bij deze club, maar zodra onze aanvoerder voorstelt om een klacht in te dienen, grijpt opa in. ‘Als beste scheidsrechter zullen we ons deze niet herinneren, dat klopt, maar heeft het nut om ons daar druk om te maken? Deze eindstand kunnen we niet meer veranderen, de scheids ook niet, onszelf wel.’ Gefronste blikken boren zich in opa. ‘Luister,’ vervolgt hij, ‘als we volgende week weer een mindere scheids treffen dan kunnen we twee dingen doen: we storen ons er weer aan en raken wederom uit ons spel, wat punten kan kosten, of we accepteren dat fluiten mensenwerk is en rollen gewoon de mouwtjes wat hoger op.’

   Terwijl blikken elkaar vinden, recht opa zijn rug. ‘Ja,’ zegt hij. ‘Vingers omhoog. Wie heeft er foutloos gespeeld?’ Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt hij rond. Ten slotte zegt hij: ‘Gelukkig. Niemand dus. Nou, leer van alle fouten dan zijn we niet meer afhankelijk van de scheidsrechter. Een blik in de spiegel zal niet alleen ons spel ten goede komen, uiteindelijk ook onze stand.’

 

Zodra aan de picknicktafel voor het clubhuis het drinken verschijnt, pepert opa iedereen in dat er vooral ook naar alle goede acties gekeken moet worden. Want dat het vandaag weer een prachtige pot was, dat staat net als iedere vorige week voor opa vast.

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, augustus 2014

 

Haantjes en hennen

Nu de zomervakantie voorbij is, staan ze weer wekelijks langs de sportvelden: haantjes en hennen. De haantjes kraaien zo hard mogelijk dat ze alles veel beter weten, echt veel beter, de hennen hebben het voornamelijk leuk en gezellig met elkaar. Haantjes drukken graag hun stempel. Het gaat er niet om dat iedereen uit de groep het goed heeft, zij die in hun ogen de beste toekomstverwachting hebben, dáár kan je wat mee en die verdienen alle aandacht. Hennen daarentegen vinden ieder groepslid even belangrijk, iedereen verdient evenveel aandacht. Ieder heeft zijn eigen onmisbare kwaliteit, vindt de hen, alleen samen kun je je tot een prachtige groep vormen.

 

Dat de hen ook van zich kan laten horen, niet zelden zelfs prachtige geluiden voortbrengt, weet de haan niet eens. Die kraait zo hard dat hij slechts zichzelf hoort. Nou ja, een andere haan die flink mee kraait, die heeft hij maar al te graag in zijn buurt maar zodra er een ander geluid klinkt, vecht hij hem ineens het hok uit.

   Dat haantjes elkaar bevechten is misschien wel de grootste oorzaak dat er niet eens zo gek veel zijn. Gelukkig. Ze worden ook steeds eenzamer, ooit zullen ze ontdekken dat geen enkele hen nog serieus luistert naar betweterig gekraai. Dan zal de haan ook inzien dat de hen sterk in de meerderheid is, een mooi collectief vormt en zelfs veel relaxter in het leven staat. Als de haan echt wijs is dan voegt hij zich bij de hennen. Dat kan ook, de hen is vergevingsgezind.

 

Veel mensen ergeren zich aan hanengedrag, ik ook. Velen zetten zich er dan ook tegen af, zonder door te hebben dat ze daarmee feitelijk ook kraaien, ik ook, bovenstaande tekst verraadt dat al.

   Goede voornemens horen bij een nieuw jaar, ook bij een nieuw sportjaar. Weer of geen weer, zaterdags zal ik met een glimlach de deur achter mij sluiten. Vanaf nu stoor ik mij niet meer aan destructief of verzuurd gekraai. Ik ga er niet in mee en er tegen ingaan doe ik ook niet meer. Verspilde energie immers. Daarbij zou ik er in principe hetzelfde mee doen als de haan. Nee, liever concentreer ik me op al diegenen die enthousiast zijn, zij die er zin in hebben, positief aanmoedigen en genieten van de sport en van alles er omheen. Zij vormen de club waar ik me thuis voel, zij maken onze club groots en zij bezorgen mij iedere week weer een plezierig weekend. Ja, glimlachend sluit ik zaterdags de deur achter mij want ik weet: ik ga weer naar hen.

 

Voor iedereen een mooi, sportief, constructief en vooral plezierig seizoen toegewenst.

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, juli 2014

 

Geen zin

‘Werkelijk, ik snap het niet, dokter, ik zou graag anders willen maar ik heb er al een tijdje geen zin meer in.’

   ‘Zo’n periode heeft iedereen wel eens, meneer Kouwenhoven. Accepteer het nu maar gewoon, uw zin komt vanzelf terug. Echt waar.’

   ‘O ja? Denkt u echt dat deze gemoedstoestand van voorbijgaande aard is?’

   ‘Absoluut, uw gevoel komt geheid weer terug.’

   ‘En eh… komt dit vaker voor? Ik bedoel maar, moet ik lotgenoten zoeken om… als die er tenminste zijn.’

   ‘Och beste man, die zijn er zat. U bent er vrij in maar een praatgroepje voegt niets toe in deze. Gewoon lekker op vakantie gaan en u zult zien hoe snel de behoefte weer terug zal keren. Een mooie zomer doet wonderen.’

   ‘Echt? In de vakantie al? Dat is nauwelijks voor te stellen, zal de vakantie werkelijk mijn zin opwekken?’

   ‘Natuurlijk en anders gebeurt dat wel tijdens de eerste ontmoeting op een mooie zomerdag. Denkt u zich eens in, heerlijk in korte broek, zonnebril op de neus, voeten naast de teenslippers in het zachte gras en u staat weer tussen al die leuke ouders.’

   Ik wrijf duim en wijsvinger door mijn ogen, adem een keer diep in en uit en terwijl er een glimlach over mijn gezicht glijdt, bedank ik de huisarts en vertrek. Onderweg fluit ik een deuntje, begroet links en rechts wat bekenden en koop een mooie bos bloemen die ik thuis zo elegant mogelijk achter mijn rug vandaan tover. ‘Goed nieuws, schat, het is een veel voorkomende klacht die over gaat met rust en door even naar een andere omgeving te gaan.’

   ‘Ach, zie je nou wel, ik zei het je toch, zodra we terug van vakantie zijn kijk je er iedere week weer naar uit.’

   ‘Tja, ik hoop het want ik zou het eigenlijk niet willen missen.’

   ‘Hoeft ook niet, gekkerd, net als het afgelopen jaar slaan we straks geen week over. Heus!’

   ‘Toch is het raar, vind je niet, om ineens hockeymoe te zijn.’

 

Fijne vakantie, rust goed uit en kom gezond weer terug!

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, juni 2014

 

Drukste tijd van het jaar

‘De ene tas is nog niet uitgepakt of de volgende wordt weer ingepakt,’ zeg ik. ‘Vermoeiende tijd dit hoor.’ We staan in de achtertuin van onze leider. Vanmiddag was het ouders tegen de kinderen, nu sluiten we het jaar af met een barbecue. Eerlijk gezegd had ik er totaal geen zin in, deze maand is gewoon veel te volgepropt met alle afsluitingen en festiviteiten. Het zijn er net twaalf teveel. ‘Pff,’ zuchtte ik, ‘de oudste dochter kwam terug uit Londen, een dag later vertrok de jongste naar Frankrijk en morgen gaat onze zoon naar Valencia. Hemeltje lief, dit is echt de drukste tijd van het jaar.’

   Meteen blijk ik niet de enige te zijn die deze mening is toebedeeld, om mij heen worden hoofden driftig geknikt. Voorbeelden gaan kriskras door de kring. De avondvierdaagse, schoolkampen, musicals, rapportuitreikingen, toernooien, huldigingen, barbecue op het werk, afsluiting van het sportjaar… ‘Geen wonder dat we straks aan vakantie toe zijn,’ wordt er lachend geroepen. Ondertussen draait de wind, waarop we midden in een grote wolk barbecue rook belanden. Eerst verplaatsen we ons een meter of drie maar zodra de rookwolk datzelfde doet, zoeken we een plaats aan de andere kant van de tuin. Ver bij de smog vandaan, nog wel in de zon. Op de opmerking dat deze dag een jaar van ons leven kost, wordt er gedold dat gerookt vlees langer meegaat maar al snel gaat het gesprek weer verder over deze drukke tijd. Een hockeymoeder vraagt zich hardop af hoe haar ouders dat vroeger toch steeds weer voor elkaar kregen. Ook die reden van hot naar her, aten in deze maand in etappes. Het leek hectisch maar ze kijken er met zeer veel plezier op terug. Respect.

   Tja, dat herken ik. Ook mijn moeders ogen glimmen altijd bij de verhalen van toen. De humor met andere ouders bij het uitzwaaien, de leuke gesprekken tijdens de afsluitingen, het trotse gevoel als je je kind op de platte kar zag staan, het plezier om die beginnende baard in de keel bij de eindmusical, of het gegiechel van die meiden als iemand de tekst kwijt was. Natuurlijk was het druk. Tuurlijk, maar ze had het allemaal voor geen goud willen missen.

 

Terwijl de ouders nog aan de salade, stokbrood en saté zitten, worden er op de trampoline de mooiste kunsten vertoond. Salto’s, kniesprongen, gespreide armen en benen, wapperende paardenstaarten. Er wordt bij gezongen, zo hard dat je het amper kunt verstaan maar de tekst moet goed bedacht zijn gezien de dolle pret. Zodra we uitgegeten zijn verzamelen enkele kinderen satéstokjes om die tussen de gloeiende kolen te steken. ‘Aha, dit wordt dus bedoeld met aanstekelijk,’ grapt een hockeyvader zodra binnen mum van tijd alle tieners om de barbecue staan. Degenen die geen stokjes kunnen vinden doen het gewoon met takjes of gras. Aanvankelijk lacht de leider met ons mee maar bij de blik naar de open ramen wordt de sprint naar binnen ingezet. ‘Die hebben vannacht geen last van muggen,’ wordt er toostend geroepen.

 

Volle maan, een kraakheldere sterrenhemel. Sommigen vertrekken, anderen blijven nog even napraten. Op de vraag van mijn dochter of we ook gaan zeg ik: ‘Tuurlijk schat. Straks, als mijn drinken op is, goed?’ Een bleek gezichtje knikt. Daarna ploft ze op de loungebank onder de partytent en kletst verder met de andere bleekscheten. Wanneer ik mijn laatste slok neem, vergeet ik plotsklaps mijn belofte, ik laat me het glas nog een keer gewillig volschenken. Anekdotes van het afgelopen jaar worden opgehaald en nu we er toch zijn beschouwen we ook het nieuwe seizoen alvast voor. Op moment dat mijn dochter gapend haar hoofd onder mijn arm propt, bedank ik de leider voor het afgelopen jaar, de gastvrijheid en na de conclusie dat het een heerlijke dag was spring ik op de fiets. Onderweg naar huis leg ik een hand op de rug van mijn dochter. ‘Ben je moe?’ vraag ik als ze wederom gaapt.

   Ze knikt haar hoofd. ‘Ja pap, maar vandaag was wel super vet.’

   Ik zuig mijn longen vol zuurstof. In gedachte zie ik de zingende kinderen op en rond de trampoline. De lachende ouders om me heen. Alle tieners die met glinsterende ogen satéstokjes verbranden. Over mijn gezicht glijdt een brede glimlach die ineens overgaat in hoofdschudden. Waarom heb ik van te voren nooit zin in dit soort festiviteiten? Als je er eenmaal bent is het gezellig, vanaf het einde is het direct al een mooie herinnering. Misschien moet ik dit niet meer als drukste maand van het jaar zien, maar als één van de leukste. Tegenzin zal plaatsmaken voor voorpret en als je ergens energie van krijgt…

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, mei 2014

 

Na regen komt zonneschijn

‘Het regent, pa.’

   ‘Ja meid, de hele dag al,’ zeg ik tussen neus en lippen door. Ondertussen werk ik gewoon verder.

   ‘Ik ga zo echt niet trainen, hoor.’

   ‘Ik dacht van wel, meid,’ mompel ik. Mijn ogen blijven nog steeds gericht op het computerscherm.

   ‘Wat? Niemand hoeft. Op de groepsapp zeggen ze allemaal dat ze niet gaan.’

   ‘Heeft je trainer dat ook geschreven?’

   Vanuit mijn ooghoek zie ik een verbaasde blik. ‘Eh, nee. Nou en, boeien.’

   ‘Pardon?’ Tegelijkertijd veer ik op.

   ‘Ja, boeien ja!’ Twee grote blauwe kijkers richten zich op mij.

   ‘Boeien ja, boeien ja, boeien ja…’ zeg ik verbolgen. ‘Dus de trainer laat zich straks na een dag hard werken zeiknat regenen om jullie beter te laten spelen, terwijl jullie bang zijn om te smelten…? Knap als de trainer volgende week nog zin heeft.’

   Stampvoetend gaat mijn puberkind de trap op. Ik doe net alsof ik het gemopper over mij, als oelewapper, sadist en dat dit een vorm van kindermishandeling is, niet hoor en op de opmerking van mijn andere dochter dat er wél een beetje een kern van waarheid inzit moet ik lachen. Even later klinkt er gerommel in de gang, waarna de puber met de hockeyspullen en een vriendelijk gezicht de keuken inloopt waar ze met de kont tegen het aanrecht aan, uit een glas water nipt. Op haar vraag of ik soms ook iets te drinken wil, glijdt er een royale glimlach over mijn gezicht. Inmiddels zal ze inzien dat ik gelijk heb. Opvoeden is zo gemakkelijk, ik snap niet waar sommige ouders het zo lastig mee hebben. Ik tuit mijn lippen, knik mijn hoofd en stort me weer op mijn werk.

   Voorzichtig wordt er een glas water naast mijn laptop gezet. ‘Wil je me brengen, pa?’

   ‘Hoezo meid?’

   ‘Anders word ik nat.’

   ‘Trainen jullie binnen?’

   ‘Nee natuurlijk niet.’

   ‘Dan word je dus sowieso nat. Ga maar lekker fietsen, dat is goed voor je.’

   ‘Dus ik ben de enige die niet gebracht gaat worden?’

   ‘Juist. Net als dat je vrijdagavond de enige was die niet naar de late film mocht. En komende week de enige die in de Lek niet voorbij de kribben mag zwemmen. Moet ik even doorgaan?’

   Ze schudt driftig haar hoofd. ‘Tjonge, wat ben je soms toch een onmogelijke…’ Bij het zien van mijn opgetrokken wenkbrauwen breekt ze haar zin af. Ze grist de fietssleutel van het haakje en met de deurkruk in haar hand geklemd moppert ze met de kaken stijf op elkaar: ‘Dit zal ik later mijn kinderen nooit aandoen. Echt nooit!’ Voor ik kan antwoorden dat dit mijn tekst van vroeger is en dat ze later nog wel aan mij zal denken, sluit ze de deur achter zich en beent naar haar fiets.

   ‘Geef toe, pa, een beetje gelijk heeft ze wel,’ zegt mijn andere dochter achter haar schoolboek vandaan. ‘De auto staat voor de deur, je kunt haar toch wel even brengen, dat doen er zo veel.’

   ‘Binnen onze stadsgrenzen is alles te fietsen, meid. Daar worden jullie niet slechter van.’

   ‘Ja ja, zeg je dat morgen ook als je in de regen een boodschap moet doen, pa? En donderdagavond als je naar de sportschool gaat? Een beetje inconsequent is het wel, vind je zelf ook niet?’

   Terwijl ik de laptop afsluit kijk ik naar buiten. Dochterlief fietst in elkaar gedoken weg. Ik slik de brok in mijn keel weg en zodra ik onze buurjongen met sporttas in de auto van zijn moeder zie stappen weet ik het: zojuist heb ik een enorm groot misdrijf gepleegd. Als opvoeder ben ik totaal ongeschikt. Feitelijk gezien hebben die twee meiden het nog erg mild gehouden met hun opmerkingen. Waarschijnlijk uit angst, ze moeten loeibang voor me zijn.

   Zuchtend draai ik mijn vingers over mijn slapen, eigenlijk heb ik trek in een mooie bel wijn, maar ja, dat zou weer zo’n verkeerd voorbeeld zijn dat ooit voor mijn voeten geworpen zal worden. Het glas water dat er nog staat is ook lekker. Na een diepe zucht sla ik een vlakke hand tegen mijn wang, daarna schil ik een grote pan aardappels, snijdt en was de andijvie voor de stamppot en terwijl er een geur van uitgebakken spek het huis vult, lees ik tussendoor eerst ’t Groentje, dan de Wijkse Courant.

   Inmiddels maakt de regen plaats voor de zon die behaaglijk mijn rug verwarmt. Wanneer het eten zo goed als klaar is, verschijnt er een doorweekte dochter in de deuropening. ‘Wat ben je laat, meid,’ concludeer ik.

   ‘Ja, na de training maakten we buikglijders over het veld. Echt vet cool man, we hebben zo onwijs gelachen. Kan ik trouwens nog even douchen voor het eten?’

   ‘Tuurlijk meid. Strak plan. Fris je eerst maar lekker op, de stamppot blijft nog wel een tijdje warm.’

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, april 2014

 

De doos oude verhalen

Geen sportveld vandaag, deze zaterdag is anders dan doorsnee maar zal Koningsdag op zijn beurt anders zijn dan Koninginnedag altijd was? Vast niet. Ook vandaag slenteren we over de vrijmarkt, maken links en rechts een praatje. Op terras eten we oranje tompouces, thuis soep en brood om daarna weer snel naar de binnenstad te benen waar we zowel oude als huidige bekenden ontmoeten.

   Gezellig.

   Zelf kom ik uiteindelijk altijd uit op de Mazijk waar ik steevast mijn neef tref. Net als voorgaande edities klontert hij samen met oude teamgenoten, de meeste inmiddels achter een wandelwagen waar zojuist gekocht speelgoed van alle kanten uitpuilt. Er wordt bier gedronken, witte wijn, frisdrank en om en om gaat er iemand met de kudde kinderen mee naar het springkussen. In het begin gaan de gesprekken nog over de peuterspeelzaal, het werk en de intensieve avondstudie, maar voor je het weet wordt de doos oude verhalen weer opengetrokken.

   De ene anekdote spettert nog harder door de kring dan de andere.

   Over de onvergetelijke feestjes die gevierd zijn op de sportclub, over die paar keer dat ze als kampioen op de platte kar door de binnenstad werden gereden. Weet je nog, die scheidsrechter die zo eenvoudig te beïnvloeden was? Fantastisch! Bijna zielig soms, maar ja, dat risico loop je nu eenmaal met een fluit. Ook de verhalen over hun meest maffe trainer komen weer aan bod. Evenals de kleedkamerpret, het kamp in Frankrijk waarbij iemands vader struikelde over een verstopt bierflesje, de streken die uitgehaald zijn op het trainingsveld. En net als bij de vorige edities zijn alle anekdotes weer tot een iets mooiere variant ontwikkeld.

   Er wordt gelachen. Hard gelachen. Tot tranen aan toe.

   Tussendoor worden er kleutertraantjes weggeveegd. Knietjes schoongewreven. Een aai over de bol, tegelijkertijd met de woorden: ‘Wat ben je toch een bikkel, ga maar weer snel spelen.’ Meegrienen is not done. Iemands val moet je nooit erger maken dan het is. Zo deed de trainer dat vroeger ook. Hoe zal het eigenlijk met hem gaan?

   Ieder jaar geniet ik opnieuw van die volwassenen die weer een dag puber zijn en waarvan vroeger wel eens hardop afgevraagd werd wat er ooit van terecht moest komen. Onterechte zorgen waren het.

   Goed.

   Terug naar de sportvereniging van vandaag.

   Zo af en toe erger ik me aan een bestuursbesluit, aan een opmerkelijke beoordeling die onze tc klakkeloos overneemt, een wazige indeling of onverstandige opstelling. Ook gaan mijn nekharen wel eens overeind staan van iemands vader of moeder die niet alleen zichzelf veel te serieus neemt, maar ook onze mooie amateursport. Die gedraagt zich alsof we de WK-finale spelen. Over het algemeen zet ik me vrij gemakkelijk over dit soort irritaties heen, meestal word ik er zelfs lacherig van. Prettig weekend verder joh!

   Maar… soms, echt heel soms overweeg ik om toch maar eens bij een andere club te gaan kijken. Wie weet is het kunstgras bij de buren inderdaad groener. Natuurlijk weet ik dat het nergens perfect is, maar pas als ik onze jeugd achter een bal aan zie rennen en daarbij denk aan al die mooie momenten op de Mazijk dan weet ik weer wat ik eigenlijk al wist: Deze sportvereniging blijft de mooiste club, want zelfs om de dingen die vandaag strontvervelend zijn wordt morgen hard gelachen. Niks zo mooi als lekker sporten in je eigen woonomgeving met je eigen vrienden want alleen samen met hen kunnen later de fantastische herinneringen opgehaald worden.

   Wellicht wordt volgende week zaterdag de doos oude verhalen alweer wat verder gevuld. Anders gebeurt dat de week erna wel.

 

Naar boven.

 

 


 

 

HV Dorsteti, maart 2014

 

Zaterdag

Zaterdagochtend, tegen de klok van zeven. De wekker loopt af. Heel even blijf ik liggen maar voor ik opnieuw in slaap val slinger ik snel beide benen uit bed. Het huis is stil. Zachtjes open ik de slaapkamerdeur van onze jongste. ‘Psst, wakker worden.’ Geeuwend strekt ze haar armen, die ze direct over haar ogen legt zodra ik de lamp aan doe. Ik ren naar beneden, smeer boterhammen en wanneer die met dampende thee op tafel staan been ik weer terug naar boven. ‘Hé, kom op joh!’ Ik schud haar wat heen en weer. ‘Er uit, om acht uur moeten we verzamelen.’ Pas als ze rechtop in bed zit verlaat ik de tienerkamer en loop onder de douche door om mijn kleding aan te schieten.

   Tijdens het tandenpoetsen wordt er driftig op mijn schouders getikt. ‘Waar zijn mijn scheenbeschermers?’

   ‘Ja verdorie, weet ik veel, daar moet je zelf op letten.’

   Iedere week neem ik me voor dat ik me niet meer met de sportspullen bemoei, de kinderen moeten zelfstandig worden, maar omdat de klok nu akelig snel richting de acht tikt zoek ik toch weer mee. Echt voor de laatste keer, volgende week doet ze het zelf. Dat ze het maar weet.

   Buiten voelt het fris aan. Bij het openen van de auto kijk ik vluchtig om me heen. Op de wereld moeten wij de enigen zijn die huis en haard verlaten. Die sowieso het bed hebben verlaten. Eenmaal op de verzamelplaats blijkt dat gelukkig anders te zijn. ‘Môge, vroeg hè, nou nou, niet normaal dit,’ klinkt vanuit de cirkel van ouders en kinderen. ‘Blij als ze wat ouder zijn, dan kunnen we tenminste uitslapen.’ Er worden grapjes gemaakt, er wordt gekscherend gemopperd dat er bij verlies een lange wandeling naar huis wacht voor zowel de coaches als de kinderen, er wordt stellig beaamd en gelachen. Als vijf over acht de laatste arriveert, en zich ook deze week weer excuseert, kruipen we bij elkaar in de auto’s en reizen af naar Hilversum waar tijdens de warming-up de eerste bakken koffie achterover worden geslagen. De wedstrijd begint spannend maar in de tweede helft laten we de tegenstander alle hoeken van het veld zien. Tussen de gesprekken door juichen we en roepen kreten als goed zo, mooie bal, goed gezien hoor. Dat soort. Na het laatste fluitsignaal blijkt dat we toch nog enkele doelpuntjes gemist hebben. De een denkt dat het 3-0 is geworden, de ander 4-1, maar volgens onze meiden hebben we met 5-2 gewonnen.

   Oké.

   Mijn dochter vraagt hoe ik haar doelpunt vond. Haar ogen glinsteren. In plaats dat ik een schaapachtige blik opzet zeg ik: ‘Eh, ja mooi, heel mooi. Jullie hebben sowieso erg goed gespeeld.’ Na de limonade en de zoveelste bak koffie keren we snel terug naar ons heerlijke stadje.

   Tijd voor een boterham heb ik nauwelijks. Onze andere dochter speelt straks thuis tegen Phoenix. ‘Waar is mijn bitje?’ vraagt ze met de jas aan en de hockeytas bungelend om haar nek.

   ‘Ja verdorie, je bent veertien jaar.’ Terwijl ik nog wat mopper over eigen verantwoording en dat ze voortaan de avond van te voren alle spullen klaar moet leggen, zoek ik met haar mee. Als het huis ondersteboven is gekeerd en blijkt dat het bitje gewoon in het zijvakje van haar tas zit, springen we op de fiets en snellen naar de club. De meiden begroeten elkaar met een omhelzing, wij ouders doen het ouderwets met hoi, hallo, leuke jas, nieuw? Dan snel een rondje koffie. ‘Wat een waardeloze tijd,’ klinkt zodra de wedstrijd begint. ‘Midden op de dag. ’s Morgens kan je nagenoeg niks en na de wedstrijd is de middag ook nog maar kort. Blij als ze volgend jaar rond de klok van vier spelen want nu is de hele zaterdag weg.’

   We zijn het roerend met elkaar eens, net als dat we aan de andere kant van het veld moeten gaan staan, willen we een innige relatie met de zon krijgen. Er wordt gesproken over de vakanties die al geboekt zijn, over school, het werk en overleden familieleden. Tja, ook dat hoort gewoon bij het leven, dus ook langs de lijn. Op een fluitsignaal, omdat onze back zojuist boven op de bal stapte, grappen we dat we de scheids weer eens niet mee hebben. Met ingehouden adem volgen we de strafcorner die buitenkantje paal raakt. Meteen daarna gaan alle gesprekken gewoon weer verder, tot het eindsignaal klinkt en we onder het genot van een drankje in het clubhuis constateren we dat 0-0 een prima uitslag is.

   Terwijl de meiden met elkaar praten over zaken die ons ouders blijkbaar niet aangaan, zeg ik gedag en loop naar het voetbalveld waar onze zoon al klaar staat voor de aftrap. Ik begroet de andere ouders en met de opmerking dat deze tijd niet praktisch is voor het avondeten, ben ik het roerend eens. We discussiëren wat over de plaatselijke politiek, analyseren de tegenpartij, geinen over het postuur van hun keeper en laten onze lach wegsterven zodra blijkt dat die sluitpost niet te passeren is. In de rust nemen we een biertje. Niet dat we er trek in hebben, we moeten aan de omzet van de club denken, geven we elkaar mee als tip voor thuis. Direct na de wedstrijd nemen we er nog een, nu om het verlies te verwerken. Zodra het wekelijkse doucheritueel afgerond is, de gel weer door de kapsels druipt en de bussen deodorant leeggespoten zijn, neemt het sportteam plaats aan een lange tafel. Eerst staan de gezichten op standje sip maar wanneer de aanvoerder het glas heft en roept dat morgen gewoon de zon weer opkomt en er volgende week nieuwe kansen zijn, is er afgetrapt voor veel humor en gedol. De derde helft. Veelal de langste helft, in ieder geval altijd de mooiste.

   Zaterdagavond, tegen de klok van zeven. Ik stap op de fiets, straks eten we lekker pizza. Wat heb ik vandaag weer veel leuke mensen gesproken en wat hebben we gelachen. Hoezo is de zaterdag weg? Sport maakt van deze dag pas echt een fantastische dag!

 

Naar boven.

Jan Kouwenhoven Publishing © 2014-2017 | Alle rechten voorbehouden.