COLUMNS OUDERENFONDS


Ouderenfonds, juli 2016

 

Eigenwijze ouwe bes

Op pagina 3 van de plaatselijke krant prijkt een foto van een echtpaar dat 60 jaar getrouwd is. Trotse blikken gericht op de burgemeester die tussen twee bemande rollators staat. Ik duw de krant iets van me af om het bijbehorende artikel te lezen. ‘Het geheim van samen gelukkig oud worden is accepteren dat ouderdom met gebreken komt,’ zegt meneer. ‘En elkaar daarin ook steunen,’ vult mevrouw aan. Ik leg de krant op mijn schoot, mijn gedachten dwalen af. Naar mijn moeder. Gisteren haalde ik haar op voor een bakje koffie. Aan haar koppie is het niet te merken dat ze de tachtig gepasseerd is, maar haar benen weten dat geheim niet langer meer te verbloemen. Voetje voor voetje liep ze met mij mee naar de auto. Haar arm stevig om die van mij geklemd. ‘Je moet nu toch echt eens een rollator aanschaffen, ma,’ zei ik. ‘Die dingen zijn niet voor niets uitgevonden.’

   Een frons gleed over haar gezicht, ze tuitte haar lippen en maakte een wegwerpgebaar. ‘Zolang ik me nog zonder kan redden, duw ik alleen in de supermarkt een karretje voor me uit, jongen.’ Hoofdschuddend hielp ik haar de auto in. Voor ik de auto startte draaide ik mijn hoofd naar rechts. Gerimpelde vingers pulkten aan een rolletje pepermunt dat uit de handtas op haar schoot was gehaald. Ze vervolgde: ‘Geef je toe aan je gebreken dan gaat ouderdom pas echt met je aan de haal.’

   Glimlachend pakte ik een pepermuntje aan. ‘Je bent net zo’n eigenwijze ouwe bes geworden als je vader was. Echt, ik zweer het.’ Een jaar of twintig geleden hebben mijn ouders enorm op opa ingepraat om niet meer achter het stuur te kruipen. Zelf vond hij dat hij nog prima reed, de jeugd moest gewoon eens normaal doen, waar was al dat getoeter en dat rare inhalen nou voor nodig? Nee, al die haastigen waren de brokkenpiloten, hij reed al ruim veertig jaar schadevrij dus…

 

Lachend pak ik de krant weer op. Ik strek mijn arm net zo ver tot de letters stoppen met dansen. Lastig, maar het schijnt normaal te zijn als je richting de vijftig hobbelt. Bizar genoeg lijken veel leeftijdgenoten er trots op. Hoe vaak het niet benoemd wordt dat er een leesbril nodig is. Er gaat tegenwoordig geen verjaardag meer voorbij of het onderwerp passeert weer de revue. Eerlijk gezegd snap ik dat niet. Wat is er in hemelsnaam zo leuk aan? Het lijkt mij eerder een gedoe om zo’n ding steeds weer op en af te zetten. Nee, verwen je je ogen ermee dan kan je binnen de kortste keren niet meer zonder.

   Ineens laat ik de krant weer zakken. Houd een hand voor mijn mond. Shit! Word ik later dan ook een eigenwijze ouwe bes? Ik vrees van wel want steeds meer een stukje onafhankelijkheid opgeven moet een hele opgave zijn.

 

Naar boven.

 


 

Ouderenfonds, mei 2016

 

Iets bereiken

Hoewel ze qua postuur niet groot is, mogen we haar geen Sofietje meer noemen. Ze is inmiddels oud en wijs genoeg, vindt ze. Ze zit in haar examenjaar, dus vanaf nu gewoon Sofie of Soof, oké? Haar ouders hebben met die meid heel wat te stellen, vinden ze. Soof is naast bijdehand ook behoorlijk eigenwijs, kan een grote mond opzetten en gaat ieder weekend los. Eerst indrinken bij vriendinnen, dan naar de kroeg of disco. Het komt wel eens voor dat Soof pas thuiskomt op het moment dat moeder in haar ochtendjas de kat eten geeft. Ook de resultaten op school geven geen aanleiding tot een vreugdedans. Niet dat de cijfers nu meteen slecht zijn, maar ze kan veel meer dan al die krappe zesjes, weten paps en mams. Soof vindt het Nederlandse onderwijs vet dictatoriaal. Eerst moet je de hele dag een raar soort gewauwel aanhoren van de docenten, die denken dat jij het wel snapt als ze zeggen: ‘Pietje heeft twee appels, bereken nu de omtrek van de maan’. Als je flink hebt lopen zwoegen en uiteindelijk informatie hebt gekregen waar je nooit van je leven meer iets mee doet, dan verplichten ze je het ook nog eens om thuis huiswerk te maken. Wat is in hemelsnaam de definitie van vrije tijd? Soof heeft er nooit een bevredigend antwoord op gekregen. Zeker van haar ouders niet. Op de steeds weer terugkerende preek dat werken aan school een investering voor je eigen toekomst is, pakt ze verveeld haar hoofd vast. Ogen draaien weg onder iets te dikke mascara. ‘Boring’, fluisteren rood gestifte lippen. Braakneigingen krijgt ze als paps en mams eigen successen erbij slepen en dat ze het alleen maar zover geschopt hebben door er hard voor te werken, waarbij altijd het hogere doel voor ogen wordt gehouden: namelijk iets willen bereiken in het leven.

 

 

Opa en oma zijn dol op Sofie. Werkelijk geen woensdagmiddag slaat hun lieverd over. Direct uit school fietst ze naar oop en omi, zoals ze haar grootouders noemt. Eerst brood en soep eten, na de afwas doet ze boodschappen, dan gezellig thee drinken voor er een sopje door het huis gaat. Ondertussen heeft omi draadjesvlees op het fornuis gezet en terwijl er een geur van laurierblad en kruidnagel door de kamer trekt, wordt er een bordspel op tafel gelegd, dat overigens niet zelden pas na het eten weer in de doos verdwijnt. Voor de avond valt sturen oop en omi Sofie naar huis. ‘Geef paps en mams een dikke kus,’ zeggen ze steevast. Liever zouden ze die kus zelf willen geven, maar ja, dat ze het jammer vinden dat ze hen weinig zien, zullen ze tegen Sofie nooit zeggen. Die meid kan er niets aan doen. Daarbij zal het wel bij deze tijd horen. Hard werken om uitdagende targets te halen, in de vrije tijd cursussen volgen om bij te blijven en als er dan nog tijd over is, snel naar de sportvereniging. Niet alleen om fit te blijven, maar vooral ook omdat je daar interessante contacten kunt leggen met mensen die je verder kunnen helpen in je werk. Wat bereik je immers als je niet bereid bent veel tijd en aandacht te geven aan het netwerken? Dat je een iets leuker mens wordt, weten opa en oma, voor de mensen die onvoorwaardelijk van je houden, zelfs als ze niks aan je kunnen verdienen.

 

Naar boven.

 


Ouderenfonds, februari 2016

 

Mam, ik moet je wat vertellen…

Achtentachtig jaar is ze. Mijn moeder. Ze heeft het nooit geweten. Onder ons gezegd had ik dit haar ook het liefst willen besparen, maar… nou ja, dertien jaar was ik toen haar oudste broer zich aan mij vergreep. Onder mom van seksuele voorlichting. Ik bevroor. Liet het gebeuren. Begreep er van meet af aan al geen snars van dat ik niet durfde te schreeuwen. Schaamde ik me enkele weken eerder nog omdat de buurman mij betrapte op vuurtje stoken – als ie maar niet naar mijn moeder gaat. Of in de wintermaanden van dat jaar omdat ik ondanks overduidelijke waarschuwingen toch het ijs was opgegaan – hoe vertel ik mijn moeder dat mijn sokken nat zijn. En mijn broek. O ja, ook mijn zondagse jas. Wat? Waar mijn muts is? Nou mam, die ligt op het ijs, precies naast het grote wak, gek hè? Ineens bleek dat allemaal schaamte van niks, want nu die altijd zo grappige oom een litteken in mijn ziel had gegraveerd, kwam ik pas echt in aanraking met het fenomeen schaamte. Eén ding stond vast: nooit van mijn leven zou ik het mijn moeder vertellen. Absoluut nooit. Te pijnlijk. Ze zou het trouwens niet eens geloven. Ze was immers dol op haar broer. Die man was altijd opgewekt, verzorgde zijn blinde vrouw goed, deed zelfs de was, kookte en deed bovendien erg veel met en voor de jeugd. Nee, je kon niet anders concluderen dan dat haar broer een goed mens was.

   Enkele jaren geleden beschreef ik voor mezelf wat er in de vroege jaren tachtig was gebeurd en wat het met mij gedaan had. Op een of andere manier had ik het nodig om te doen, om alles op een rijtje te krijgen en om eindelijk eens van mijn schaamte en schuldgevoel af te komen. Eenmaal op papier werd ik overmeesterd door grote drang het verhaal om te vormen tot een fictief verhaal, om ooit in boekvorm uit te geven. Hoewel ik me daarbij ook meteen realiseerde dat ik dan wel eerst iets uit te leggen had. Enkele weken geleden heb ik mijn moeder een proefdruk van mijn boek Als littekens jeuken overhandigd. Ik heb haar verteld waarom ik die grappige oom ineens geen hand meer gaf op verjaardagen. Hem zelfs compleet negeerde. En waarom ik zo nu en dan net iets meer een etterbak van een puber kon zijn dan normaal. Dat dit niet aan haar lag. En dat het me speet dat ik haar beeld over haar oudste broer nu in één keer kapot prikte.

   Vreselijk vond ze het dat ik haar nooit eerder in vertrouwen had genomen. Voor haarzelf, maar veel meer nog voor mij. Ik fronste. Ze nipte van de koffie, zette het kopje weer terug op het schoteltje naast een koek waar slechts één hap uit was en zei: ‘Ik weet niet of ik het had gekund, of ik het goed had gedaan, maar ik had je er erg graag mee geholpen.’ Door haar neus snoof ze haar longen vol. ‘Jongen toch, wat vind ik het erg dat je zo gevangen hebt gezeten. Maar hij was fout, niet jij, onthoud dat.’

   Ook al had ik het inderdaad eerder moeten doen, ik ben ontzettend blij dat ik het met mijn moeder heb gedeeld nu het nog kan. Bij haar zijn puzzelstukjes in mekaar gevallen, voor mij is haar begrip en steun goud waard. Wat een enorme bofkont ben ik met zo’n topmoeder, hè?

 

Naar boven.

 


Ouderenfonds, december 2015

 

Onnozele oliebollen

‘Och kijk, daar gaat ze weer,’ zeg ik tegen mijn vrouw. ‘Wat is het toch een gouden griet.’ Ik zet mijn kom kippensoep op tafel, ga staan en kijk naar buiten. Regen spettert tegen het raam. Rosalien heeft de capuchon tot ver over haar voorhoofd getrokken. In haar knuistjes een plastic bakje waar, zo te zien, iets van gevuld speculaas in zit. Zelfgemaakt. Haar oma woont hier om de hoek. Rosalien komt daar graag, om samen een spelletje te doen. En vaak neemt ze wat lekkers mee. Niet alleen voor oma maar ook voor mevrouw Harmsen die vier huizen verderop woont. Triest hoor, als je de verhalen moet geloven heeft die oude mevrouw nagenoeg niemand meer. Meneer Harmsen is er al een paar jaar niet meer, kinderen hebben ze nooit gekregen en de paar familieleden die er nog zijn wonen ergens in de buurt van Alkmaar, meen ik.

   Ik laat me terug in de stoel zakken, pak de soep weer op, blaas er voorzichtig overheen en neem een hap. ‘Hm, aan die meid zouden veel kinderen een voorbeeld kunnen nemen.’

Mijn vrouw smeert kruidenboter op een stokbroodje en reikt het mij aan. ‘Niet alleen kinderen, schat. Hoeveel volwassenen zijn niet slechts druk voor en met zichzelf?’

   Ik knik en mopper wat over deze tijd waar individualisme steeds meer terrein wint. Dat ondanks de hectiek van de dag er zo nu en dan best wel een gaatje vrijgemaakt kan worden. Je moet het alleen wel willen. Al is het maar omdat de wereld steeds sneller lijkt te draaien en de dag dat je zelf min of meer vereenzaamt jou sneller tegemoet komt dan je beseft. Hebben ze dan het lef om te mopperen over het feit dat er niemand is die even tijd wil vrijmaken? Of geven ze dan eerlijk toe dat ze vroeger niet anders waren?

   Mijn vrouw zet grote ogen op. ‘Hemeltjelief,’ zegt ze. ‘Je zegt het maar feitelijk doen wij precies hetzelfde.’

   ‘Dat is beslist niet waar,’ antwoord ik direct. ‘We bezoeken jouw ouders met enige regelmaat en ieder jaar bakken we extra oliebollen zodat ook zij een mooie schaal op tafel hebben staan als we met z’n allen gelukkig Nieuwjaar gaan wensen. We doen er zelfs speciaal appelflappen bij. Nee, meid, wij doen absoluut niet hetzelfde.’

   ‘O nee schat? Zeg eens eerlijk: heb jij ooit een paar oliebollen gebracht naar oude mensen die geen familie van ons zijn? Mevrouw Harmsen bijvoorbeeld? Wat weten we eigenlijk van haar?’

   Een warme gloed stijgt op, ik zet mijn soep op tafel, sta weer op en voor het raam wrijf ik een hand over mijn gezicht. ‘Goeie genade, wat zijn wij een stel onnozele oliebollen.’

 

Naar boven.

 


Ouderenfonds, oktober 2015

 

Ziek zijn is (te) duur

Bijna tachtig zijn ze, meneer en mevrouw De Bruyn. Altijd hard gewerkt. Geen vetpot, maar je hoort ze niet klagen, ze hadden leuke banen en elkaar. Nu genieten ze al enige tijd van hun pensioen. Echt riant is het niet te noemen, maar goed, zolang ze op de kleintjes letten blijft er wel eens wat over voor een leuk uitstapje. Omdat mevrouw De Bruyn aan een ernstige ziekte lijdt moet ze wekelijks naar het ziekenhuis voor een levensrekkende chemokuur. Meneer gaat altijd mee, hij rijdt. Als het even kan willen ze zo lang mogelijk zelfstandig blijven, vrijheid is een groot goed, vinden ze. Wel schrikken ze zich telkens weer lam van de parkeerautomaat als ze weer huiswaarts keren. Bedragen van € 11,00 zijn geen uitzondering. Meneer De Bruyn heeft er wel eens voorzichtig over geklaagd. ‘Betaal ik me niet een ongeluk aan medicijnen die niet vergoed worden, dan is het wel jullie parkeermeter die ons leeg trekt.’

   ‘Inderdaad vervelend,’ zei de vertegenwoordiger van het ziekenhuis, 'dat vinden wij ook, maar we moeten wel.’ Met stalen gezicht vertelde hij dat ze het helaas niet goedkoper kunnen maken, laat staan gratis, hoe graag ze ook zouden willen. ‘Mensen die naar de stad gaan zouden dan hier hun auto achter kunnen laten om het laatste stukje met de bus te reizen. Het ziekenhuis mag geen carpoolplaats worden, voor patiënten zou dan immers geen parkeerplaats meer over blijven. Hoe paradoxaal het ook mag klinken, de parkeermeter staat er juist voor de patiënt.’

   Meneer en mevrouw De Bruyn haalden de schouders op, en knikten. ‘Tja, daar valt wat voor te zeggen,’ zei meneer.

   ‘Nou ja,’ vulde mevrouw aan, ‘als we de uitjes laten schieten kunnen we het wel opbrengen, hoor. We moeten blij zijn dat we het hier zo goed hebben.’

 

Bewonderenswaardig als je zo tevreden in het leven kunt staan zoals echtpaar De Bruyn doet. Soms zou ik er iets meer van willen hebben. Alleen niet in dit geval. De uitleg van het ziekenhuis is gewoon klinkklare onzin. In werkelijkheid is het parkeerterrein niets meer dan een belangrijke bron van inkomsten. Een ordinaire spreekwoordelijke melkkoe. Als het er daadwerkelijk voor de patiënt zou zijn, dan zou de patiënt, bij de dagbehandeling oncologie of op de poli, een uitrijkaart ontvangen. Gratis en voor niks. Service, omdat ziek zijn al zo duur is.

   Daarmee lossen we het parkeerprobleem niet op, zou het ziekenhuis waarschijnlijk zeggen, want dan nog steeds kan de patiënt nog even gezellig gaan winkelen of in de stad koffie drinken. Wederom onzin, zou mijn weerwoord zijn. Een uitrijkaart zou je immers bij vertrek kunnen verstrekken, met een geldigheidsduur van een half uur. Mensen zoals echtpaar De Bruyn kunnen dan hun zuurverdiende centjes gewoon gebruiken voor waar het ooit voor bedoeld was. Leuke dingen doen, nu het nog kan. Daar hebben ze immers hard voor gewerkt.

 

Naar boven.

 


 

Ouderenfonds, juli 2015

 

Vakantie

‘Geen gericht, goed bericht,’ zeg ik altijd als ik op vakantie ga. Mijn moeder vraagt niet eens meer of ik wil laten weten of we goed aangekomen zijn en of ik af en toe wil bellen. Zo is die jongen nu eenmaal, heeft ze meer dan eens gezegd. Vorige week was ik bij haar op de koffie. De telefoon ging waarop moeder naar de stoel naast de vensterbank snelde. Ze drukte de hoorn tegen haar oor. Glimmende ogen keken richting mij. ‘Je zus,’ spraken haar lippen geluidloos tussen het luisteren door. Zo aan moeder te horen hadden ze het erg goed daar op de Balearen. De kinderen hadden al leuke vriendjes ontmoet. Uit Friesland. De jongste kende inmiddels wat Friese woordjes zelfs. Ook wat Spaans. Ze lachten zich rot daar aan de Middellandse zee. ‘Nou meid,’ zei moeder nadat ze zus had laten weten dat het in Holland behaaglijk was maar ook bewolkt. ‘Hang maar weer snel op, anders wordt het te duur. Bedankt voor het bellen, groetjesss!’ Terwijl ze mij aankeek drukte ze enkele klapzoenen op de hoorn.

Glimlachend nam ze plaats achter de koektrommel. ‘Zo leuk dat die meid belt,’ zei ze. ‘Doet ze regelmatig.’ Gerimpelde vingers streken zacht over de bruingele vierkantjes op de deksel. Ze zuchtte een keer en keek weer op. ‘En zo duidelijk te verstaan. Het is net of ze gewoon thuis is. Bijzonder hè?’

Ik knikte mijn hoofd, nipte van de koffie. Als ik straks op vakantie ga, zal ik ook af en toe bellen. Hoe weinig moeite is het nu eigenlijk en hoeveel plezier levert het op. Zo ben ik nu eenmaal is onzin. Een mens kan veranderen en dat zal ik moeder laten zien ook.

 

Naar boven.

 


Ouderenfonds, mei 2015

‘Homo’s, maar wel aardige hoor!’

…hoorde Richard zijn buren wel eens tegen visite in de tuin zeggen. Een uitdrukking die hij nooit begrepen heeft. Zijn homoseksuelen in beginsel niet aardig dan? Hij heeft het nooit durven zeggen. Het contact in het buurtje was prima, dat zet je niet op het spel. Poeren in het vat onnadenkendheid kan alleen maar fout aflopen, dat wist hij op zijn achttiende al. Hij kwam thuis uit de kast. ‘Je blijft altijd mijn zoon, jongen,’ zei zijn vader. De beste man begon te huilen. ‘Maar ik hoop wel dat je ooit geneest.’ Richard knikte zijn hoofd. Uitleggen dat homoseksualiteit geen ziekte is, kon wel eens een discussie opleveren, uitgroeiend tot een fikse ruzie. Het duurde twee jaar voor Richard eindelijk zijn beste vriend vertelde dat hij op mannen viel. Hij moest wel. In het geniep had hij al een half jaar een relatie met een schat van een jongen. Straalverliefd waren ze en toch… ze hadden niets liever gewild dan dat ze zich net zo konden gedragen als hetero’s. Het geluk van de daken schreeuwen. Samen naar verjaardagen. Hand in hand over straat, een kus op het strand bij ondergaande zon.

   ‘Hè? Jij homo?’ Zijn beste vriend had dit nooit achter hem gezocht. Echt nooit. ‘Maar ik vind het allemaal best, Richard,’ zei hij. ‘Je blijft mijn makker, zolang je maar van mij afblijft.’ Om de vriendschap niet op het spel te zetten slikte Richard de vraag in of heteromannen dan wel altijd aan alle vrouwen zaten.

 

Vorige maand is Richard aangeraden de kast weer in te gaan. Tijdens opname in een verzorgingshuis. Daar is over het algemeen nog veel onbegrip. Hij knikte zijn hoofd.

   Als je nu niet beter weet dan denk je dat Richard een boek leest. In werkelijkheid bekijkt hij de foto van zijn lieve Peter. Hij hoort het hem nog zeggen: ‘Nee lieverd, niet bang zijn. Als je op luchtige en respectvolle wijze iemand de spiegel durft voor te houden, zal het meestal juist wederzijds begrip opleveren. Dankbaarheid zelfs op zijn tijd, want zeg eens eerlijk: wil jij zelf ook niet liever aangesproken worden als je iemand onbedoeld gekwetst hebt? Waarom verlang je van een ander dat hij of zij altijd eerlijk tegen jou is, maar durf je dat zelf niet bij de ander?’

   Richard sluit zijn ogen. Zucht een keer. Als hij zijn leven over mocht doen dan hoopt hij opnieuw dé liefde van zijn leven te ontmoeten. Man, vrouw, dat doet er niet toe. Zolang ze het samen maar net zo fijn hebben als wat hij met Peter heeft gehad. Wel zou hij het zichzelf dan gemakkelijker maken door zichzelf niet meer te verstoppen. Taboes zijn er om doorbroken te worden. Natuurlijk, het zal vast moeilijke momenten kennen. Verdrietige en pijnlijke. Maar één ding is zeker: Richard zou zich nooit, maar dan ook echt nooit meer schamen voor zijn geluk.

 

Richard gooit zijn borst vooruit, kust de foto en zet deze tegen een bloemenvaasje op het dressoir. ‘Lieve mensen,’ zegt hij. ‘Met deze man was ik een zeer gelukkig mens.’ Hij kijkt zijn medebewoners aan, spreidt zijn handen uiteen. Een glimlach vlamt op. ‘Inderdaad, ik ben homo, maar wel een aardige hoor!’

   Een mens is nooit te oud om denkbeelden aan te passen, dat geldt niet alleen voor zijn medebewoners, ook voor hemzelf.

 

Naar boven.

 


Ouderenfonds, maart 2015

 

Mevrouw Meijer

Mevrouw Meijer is er trots op: ze woont nog op zichzelf. Gezegend is ze ermee, aan haar twee zussen en vier beste vriendinnen te zien, is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Die zijn er niet meer. Meneer Meijer trouwens ook niet meer, al bijna twintig jaar. Heel soms gaat ze naar het graf, als haar zoon er even met de auto heen wil. Bloemen neerleggen doet ze er nooit, zonde dat die daar liggen te verleppen, vindt mevrouw Meijer. Thuis bij zijn foto op de schoorsteen staat altijd een vers boeket, dan heeft ze er zelf ook iets aan. Ze glimlacht als ze er naar kijkt, en wuift naar buiten als de buurkinderen langslopen. Schatten zijn het, volgens mevrouw Meijer, hele grote schatten. In de zomer maaien zij het kleine grasveldje en als het sneeuwt schuiven zij mevrouw Meijers straatje schoon. Van hun moeder mogen ze daar geen geld voor aannemen, je hoort iets te doen voor je naaste. Een glimlach en oprecht dankjewel is de mooiste beloning. Dat geeft je een warm gevoel, weet de buurvrouw. Mevrouw Meijer drukt toch regelmatig een euromunt in de knuistjes. ‘Sst, niet tegen mama zeggen,’ zegt ze dan. ‘Laat dit centje heel voorzichtig in je spaarpot glijden.’

 

Haar dochter heeft liever dat mevrouw Meijer naar een bejaardenwoning verhuist, met professional toezicht. Stel je eens voor dat ze valt. Mevrouw Meijer houdt zielsveel van haar dochter. Echt zielsveel. Maar dat betuttelen hekelt ze. Net als dat kinderachtige toontje dat de dochter steeds vaker in de stem heeft. Waarom? En alles moet. Ma, je moet eens een nieuwe jurk kopen. Als je echt niet wil verhuizen dan moet je beneden een badkamer bouwen voor als je de trap niet meer op kunt. Anders moet je alvast een traplift nemen. Mevrouw Meijer moet helemaal niks, vindt mevrouw Meijer zelf. Ze wil geen onkosten maken die misschien nooit nodig zijn. Komt tijd, komt raad. Mevrouw Meijer is 84 maar potdorrie niet gek. Ze kan nog steeds prima haar eigen keuzes maken. Daarbij heeft ze de oorlog meegemaakt, je moet zuinig omgaan met je centjes.

   ‘U heeft gelijk, mevrouw Meijer,’ zegt de buurvrouw. ‘Groot gelijk, maar uw dochter bedoelt het allemaal goed, ze heeft het beste met u voor zoals u dat vroeger met uw vader had.’ Ze legt haar hand op de oude gerimpelde hand waaraan twee trouwringen losser zitten dan voorheen. ‘Vertel uw dochter maar dat wij een oogje in het zeil houden.’ De buurvrouw kijkt iedere ochtend of de gordijnen open zijn. En iedere avond of er licht brandt. Fijn.

 

Woensdag klokslag tien drinken ze samen koffie. Altijd. Zo gezellig. Mevrouw Meijer is ontzettend blij met de lieve schat van een buurvrouw. Nou en of. En de buurvrouw? Die vindt het zo fijn om dit voor mevrouw Meijer te doen. Leefde haar moeder nog maar.

 

Naar boven.

 


 

Ouderenfonds, november 2014

 

Vereenzamen is logisch

Logisch dat ouderen vereenzamen. Wie heeft er nu zin in klaagzang dat vroeger alles beter was en dat de jeugd met normen en waarden niets van doen heeft. En wordt er niet gezeurd dan komt het ‘boeiende’ verhaal van gisteren wel weer voorbij.

   Lang heb ik zo gedacht, tot op de verjaardag van mijn moeder het schaamrood op mijn wangen gloeide. Terwijl wij lang zal ze leven bralden viel mij de lege plekken op. Moeder is in de afgelopen twee jaar een dochter verloren, drie vriendinnen, een schoonzus, een broer en haar andere broer met wie ze zo graag praat heeft niet lang meer. Wegens mobiliteitsproblemen waren mijn tante en oom uit Haarlem afwezig. Ook mijn moeder is afhankelijk van naasten die wat tijd willen vrijmaken als ze ergens op visite wil. En omdat ze niet altijd een beroep wil doen op een ander, zit ze meer thuis dan voorheen.

   Ineens vond ik het knap dat ze ondanks dit allemaal zo glunderde van ons onzuivere gezang. Dat ze altijd weer de tekeningen van onze kinderen ophangt, ondanks een niet gering gebrek aan talent. Dat in tegenstelling tot onze, haar verjaardagskaarten wel altijd op tijd aankomen. Dat haar liefde voor ons onbegrensd is, zelfs als we bot of ongeduldig zijn. Kan ik later ook zo zijn als magere hein steeds vaker over de schutting gluurt en mijn wereld steeds kleiner wordt? Heb ik het leven dan nog zo lief? Ik kan nu al zeuren of narrig reageren als het niet zo lekker loopt op werk, sportvereniging of gewoon thuis. Dat is niets vergeleken met…

 

Net als voor de koffie begon mijn moeder erna over de kleinkinderen van de achterbuurvrouw, zij mochten een liedje zingen voor onze Koning en bééldig geklede Koningin. Voorheen zou ik het gefronst afgekapt hebben. Nu zei ik met een brede grijns: ‘Ma, dit heb je ons al verteld maar ga alsjeblieft verder want het is zo’n leuk verhaal!’ Glimlachend ging ze verder waarbij wij genoten van haar pretogen. Ik wist meteen dat ik voortaan niet alleen haar, maar ook mijn bejaarde buurman meer aandacht ga geven. Eigenlijk is het enorm leuk om te doen. Daarbij: nu de schaduwzijde van het ouder worden zich heeft geopenbaard, besef ik dat pas als we daar onze ogen voor sluiten vereenzamen inderdaad logisch is.

 

Naar boven.

Jan Kouwenhoven Publishing © 2014-2017 | Alle rechten voorbehouden.